Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen

In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen inzake de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel. Wij kunnen de volgende ontwikkelingen melden.

Pensioencompensatie: generieke oplossing onuitvoerbaar

Kamervragen

Op 9 september 2026 heeft minister Vijlbrief (SZW) de kamervragen van de leden Bolhuis (PRO) en Van Ark (CDA) beantwoord over het mislopen van compensatie van deelnemers die van baan wisselen. De minister erkent dat deelnemers tijdens de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel compensatie kunnen mislopen wanneer zij van werkgever of pensioenfonds wisselen. Door verschillen in transitiedata en de fondsgebonden vormgeving van compensatieregelingen kunnen deelnemers buiten de compensatieregeling vallen van zowel het oude als het nieuwe pensioenfonds.


De minister benadrukt dat tijdens de gesprekken rondom het Pensioenakkoord niet is gekozen voor een uniforme transitiedatum en compensatieregeling. Een uniforme transitiedatum voor alle pensioenfondsen werd onuitvoerbaar beschouwn danwege uitvoeringscapaciteit, IT-systemen en administratieve belasting. Compensatie is daarnaast sterk afhankelijk van fonds- en sectorspecifieke omstandigheden. Generieke oplossingen zijn juridisch en uitvoeringstechnisch complex, aldus de minister.


Ook is het vrijwel onmogelijk om onderscheid te maken tussen werknemers die bewust van baan zijn gewisseld en werknemers die onbedoeld compensatie mislopen. Een generieke regeling zou daardoor volgens de minister feitelijk open moeten staan voor alle baanwisselaars, wat de uitvoerbaarheid verder onder druk zet. Tegelijkertijd ontbreken gegevens om precies vast te stellen hoeveel deelnemers compensatie mislopen of juist meerdere keren compensatie ontvangen; het gaat naar schatting om enkele tienduizenden deelnemers.


Maatwerkoplossingen als alternatief

Diverse sectoren hebben inmiddels maatwerkoplossingen ontwikkeld. Deze oplossingen zijn echter sterk afhankelijk van de kenmerken van de betreffende sector en bieden geen generieke oplossing. De minister geeft aan dat er daarom vooralsnog geen sectoroverstijgende oplossing is. Ook de kosten van een eventuele generieke compensatieregeling zijn volgens de minister niet betrouwbaar te ramen. Wel stelt hij dat het achteraf openstellen van compensatie voor alle baanwisselaars tot “enorme kosten” zou leiden, terwijl onduidelijk blijft hoeveel mensen hiervoor in aanmerking zouden komen en welke bedragen daarmee gemoeid zijn.


Duidelijke communicatie daarover onmisbaar

Het kabinet, de pensioensector en de sociale partners zetten daarom vooral in op communicatie. Werkgevers, pensioenuitvoerders en de overheid informeren deelnemers via onder meer de campagne Pensioenduidelijkheid, websites, webinars en rekenhulpen over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor compensatie. De minister acht goede informatievoorziening essentieel, omdat de transitie nog loopt tot uiterlijk 1 januari 2028 en veel pensioenfondsen pas per 1 januari 2027 overstappen.


Regeringscommissaris om advies gevraagd

De minister heeft naar aanleiding van het commissiedebat pensioenonderwerpen op 10 september 2026 aan de Regeringscommissaris Transitie Pensioenen, prof. dr. S.G. van der Lecq, gevraagd om advies uit te brengen over het compensatievraagstuk. De minister verzoekt om te onderzoeken of er oplossingen mogelijk zijn voor de deelnemers die hierdoor worden getroffen.


In het advies moeten mogelijke oplossingen worden onderzocht, zoals verrekening tussen pensioenuitvoerders, een gezamenlijk fonds of vangnet en vrijwillige voortzetting. Daarbij wordt allereerst gevraagd de voor- en nadelen van mogelijke oplossingen voor zowel individuele deelnemers als het collectief in beeld te brengen. Ten tweede wordt verzocht om de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk te beoordelen. En tenslotte wordt daarbij gevraagd om inzicht te geven in de omvang van de groep die hierdoor wordt geraakt.


Het advies wordt naar verwachting in november 2026 uitgebracht zodat het nog ingezet kan worden voor de pensioenfondsen die vanaf 1 januari 2027 invaren.


Communicatie rondom nabestaandenpensioen

Tijdens het commissiedebat pensioenonderwerpen op 10 september 2026 hebben verschillende kamerleden hun zorgen geuit dat deelnemers vaak onvoldoende inzicht hebben in de hoogte van het partnerpensioen, de gevolgen daarvan voor hun partner na overlijden en de vraag wie bij het pensioenfonds als partner of nabestaande geregistreerd staat. Met name werd benadrukt dat het voor deelnemers niet altijd duidelijk is welke dekking hun pensioenregeling biedt en dat nabestaanden hierdoor met financiële onzekerheid kunnen worden geconfronteerd in een toch al moeilijke periode.


Minister Vijlbrief onderschrijft deze zorgen en heeft toegezegd dat de informatievoorziening moet verbeteren. Hij gaat in overleg met de pensioensector over de manier waarop partner- en nabestaandengegevens beter geregistreerd en gecommuniceerd kunnen worden. Daarnaast heeft hij toegezegd dat in de startbrief aan deelnemers duidelijkere informatie zal worden opgenomen over de hoogte van het nabestaandenpensioen en wat dit concreet betekent voor het inkomen van de achterblijvende partner.



Aanvullende monitoring vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen

Minister Vijlbrief (SZW) heeft de Eerste Kamer op 18 september 2026 nader geïnformeerd over de vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen onder de Wet toekomst pensioenen.


De minister zal de Eerste Kamer in december 2026 en mei 2027 afzonderlijk informeren over de voortgang van de eerder aangekondigde maatregelen rond de vrijwillige voortzetting. Vanaf mei 2027 wordt daarnaast jaarlijks in de periodieke voortgangsrapportages over de pensioentransitie gemonitord hoeveel gewezen deelnemers wel en niet gebruikmaken van vrijwillige voortzetting. Vanaf de voortgangsrapportage van zomer 2027 wordt de monitoring verder uitgebreid, onder meer met informatie over de duur van de standaard uitloopperiode en de wijze waarop deelnemers over vrijwillige voortzetting worden geïnformeerd.


Daarnaast gaat de minister in op de gevraagde sectorbrede coulanceregeling. De algemene werkwijze die de Pensioenfederatie voor haar leden vastlegt en uitdraagt, beschouwt hij als invulling daarvan. Deze werkwijze voorziet erin dat bij overlijden tijdens de keuzetermijn, wanneer de gewezen deelnemer nog geen keuze heeft gemaakt of nog geen aanbod heeft ontvangen, het pensioenfonds na onderzoek het partnerpensioen kan uitkeren alsof de dekking wel was voortgezet. Daarmee moet het aantal onbedoeld onverzekerde gewezen deelnemers zo veel mogelijk worden beperkt.


Stemmingen moties pensioenonderwerpen

Tijdens het tweeminutendebat pensioenonderwerpen van 24 september 2026 is een aantal moties ingediend. De Tweede Kamer heeft op 29 september 2026 over deze moties gestemd:


​​​​​​​


Invaarbeoordeling DNB tijdens eindfase transitie

DNB meldt dat nog ongeveer 55 pensioenfondsen en APF-kringen van plan zijn om in 2027 in te varen. Om tijdsdruk te voorkomen, verwacht DNB dat fondsen hun invaarmelding uiterlijk twaalf maanden vóór de beoogde invaardatum indienen. In lijn daarmee stuurt DNB erop de beoordeling uiterlijk zes maanden vóór het invaren af te ronden. Voor fondsen die per 1 januari 2028 willen invaren, streeft DNB daarom naar een besluit uiterlijk 1 juli 2027.


In deze eindfase legt DNB extra nadruk op de kwaliteit en volledigheid van de invaarmelding. Met name de plausibiliteit van de transitie-effecten moet bij indiening goed zijn onderbouwd, omdat tekortkomingen hierin de inhoudelijke beoordeling kunnen vertragen. DNB wil deze plausibiliteit zo veel mogelijk direct na indiening beoordelen en het aantal beoordelingsrondes beperken.


Fondsen moeten daarom voorbereid zijn om eventuele bevindingen snel op te lossen, zo nodig met inzet van uitvoeringsorganisaties, adviseurs en aanvullende afstemming met fondsorganen of sociale partners. De kernboodschap is daarmee dat tijdige indiening, goede voorbereiding en snelle opvolging van bevindingen essentieel zijn voor een beheerste afronding van de transitie.


Kwartaalupdate DNB inzake voortgang transitie

DNB meldde in de kwartaalupdate van 15 oktober 2026 dat na 1 januari 2027 nog een derde van de pensioenfondsen en kringen in algemene pensioenfondsen moeten invaren. De meeste zullen dat op de uiterste datum van 1 januari 2028 doen.


DNB wijst erop dat de kwaliteit van de invaarmelding hoog moet zijn voor een voortvarend beoordelingsproces en dat pensioenfondsen bevindingen snel en effectief moeten kunnen adresseren. DNB geeft verder aan te zullen sturen op een beperking van het aantal iteraties met pensioenfondsen.