Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen
In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen in de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel.
Lees verder
Rapporten over voortgang transitie
In december 2025 en januari 2026 verschenen drie relevante rapporten over de voortgang van de transitie naar het vernieuwde pensioenstelsel. Hieronder geven we de hoofdlijnen van die rapporten. Allereerst het advies van de regeringscommissaris transitie pensioen. Vervolgens de voortgangsrapportage monitoring Wtp van de minister van SZW. Daarna de kwartaalupdate van DNB.
Advies regeringscommissaris transitie pensioen
Op 13 januari 2026 heeft Prof. Dr. S.G. van der Lecqhaar vierde reguliere advies gepubliceerd als regeringscommissaris Transitie Pensioenen. Aan de eerdere adviezen van de regeringscommissaris hebben wij in vorige edities van Pensioenitems aandacht besteed.
In haar nieuwe advies meldt de regeringscommissaris dat het aantal pensioenfondsen is toegenomen dat verwacht over te stappen in de tweede helft van 2027 en op 1 januari 2028. Dat aantal kan bovendien nog toenemen. De regeringscommissaris merkt op dat hernieuwd uitstel een ultimum remedium is.
Daarnaast schrijft de regeringscommissaris dat enkele pensioenuitvoeringsorganisaties moeite hebben met de transitie en dat pensioenfondsen daarom in de resterende twee jaren moeten omzien naar een nieuwe uitvoerder. De regeringscommissaris zal daarom de markt van pensioenuitvoeringsorganisaties blijven monitoren. De overgang van verzekerde pensioenregelingen gaat richting het kritieke pad.
De regeringscommissaris concludeert dat er momenteel geen aanleiding is om een verschuiving van de einddatum te adviseren.
Voortgangsrapportage minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Minister Paul voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft op 22 januari 2026 de vierde voortgangsrapportage gepubliceerd voor de monitoring van de Wet toekomst pensioenen. Aan de eerste drie voortgangsrapportages hebben wij in eerdere edities van Pensioenitems aandacht besteed.
In de voortgangsrapportage van 22 januari 2026 trekt de minister de volgende beleidsconclusies:
- 30 pensioenfondsen (ongeveer 10 miljoen deelnemers) zijn inmiddels over naar de nieuwe pensioenregeling; dat is meer dan de helft van de deelnemers. De grootste groep pensioenfondsen moet de overstap echter nog maken;
- Bij pensioenfondsen die zijn ingevaren, zijn de pensioenen gemiddeld met 14% gestegen;
- Naast het verstrekken van verplichte informatie zijn ook andere initiatieven genomen door sociale partners en pensioenfondsen. Bijvoorbeeld de app ‘Text Buddy’, die teksten vertaalt en versimpelt voor anderstaligen en laaggeletterden;
- Er wordt extra ingezet op (kleine) werkgevers met een pensioenregeling bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling omdat slechts een klein deel is omgezet naar het nieuwe stelsel. Het ministerie werkt samen met VNO-NCW, het Verbond van Verzekeraars en Adfiz in de ‘Actie Pensioenen Kleinbedrijf’;
- Het ministerie ziet op dit moment geen aanleiding om de uiterste transitiedatum (1 januari 2028) te verschuiven en ziet zich daarin gesteund door het rapport van de regeringscommissaris.
Het ministerie meldt daarnaast de volgende praktijklessen:
- Bij pensioenfondsen schetst het Actuarieel Genootschap dat de samenwerking tussen de pensioenfondsen en DNB is verbeterd door doorlopend te overleggen;
- De AFM constateert dat de kwaliteit van de implemenatieoverzichten is verbeterd, maar dat transitiecommunicatie nog aandachtspunten kent;
- De aanpassing van IT-systemen bij pensioenuitvoeringsorganisaties vergt meer tijd dan aanvankelijk is ingeschat, waardoor soms beoogde invaardata zijn uitgesteld;
- Na invaren zijn pensioenfondsen nog bezig met nazorg.
Verder meldt het ministerie dat voor verreweg de meeste pensioenfondsen de transitieplannen bekend zijn, zodat de arbeidsrechtelijke fase is afgerond.
Voor het realiseren van de doelstellingen van de Wtp heeft het ministerie het volgende verwachtingsbeeld:
- Doelstelling ‘eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen’.
De meeste pensioenfondsen schatten het inflatierisico gelijk of lager in. Een kwart van de pensioenfondsen schat dat hoger in. - Doelstelling ‘een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel’.
De publieksmonitor pensioen laat continuïteit zien in het vertrouwen in het pensioenstelsel. Tweederde van de deelnemers heeft er vertrouwen in dat de pensioenuitvoerder een goede overgang verzorgt en dat er oog is voor belangen van de leeftijdsgroepen. Met name onder gepensioneerden is dat vertrouwen groot. Gewezen deelnemers en actieve deelnemers zijn minder gerust. Het aantal klachten en geschillen over de Wtp is beperkt. Pensioenfondsen differentiëren naar leeftijdscohort bij de bepaling van de risicohouding. Deelnemers krijgen meer inzicht in de ontwikkeling van het pensioenvermogen. - Doelstelling ‘betere aansluiting bij ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt’.
De doorsneepremie is vervangen door een leeftijdsonafhankelijke vlakke premie. Het nabestaandenpensioen is gestandaardiseerd, met uitloopdekkingen, en sluit zo beter aan bij life-events.
DNB-update vierde kwartaal 2025
DNB meldt in de nieuwsbrief van 19 januari 2026 dat de transitiekeuzes en transitie-effecten nog onvoldoende onderbouwd zijn. DNB gaat daarom in een vroeg stadium in gesprek met pensioenfondsen over de transitiedoelstellingen. Heldere transitiedoelstellingen dragen namelijk bij aan een betere onderbouwing van de evenwichtige belangenafweging.
DNB zal pensioenfondsen verzoeken om de accountantsrapporten te sturen, waarin de borging van de datakwaliteit voor, tijdens en na de transitie is beoordeeld.
Besluit van 16 december 2025
Op 20 december 2025 is het besluit van de Minister van SZW van 16 december van kracht geworden (Stb. 2025, 439). Hiermee worden onderstaande wijzigingen geregeld:
- Een pensioenfonds kan de kosten van de bescherming tegen het renterisico aftrekken van het beschermingsrendement. De berekening van die kosten moet per leeftijdscohort worden gemaakt.
- Het minimaal vereiste eigen vermogen mag worden aangevuld uit de solidariteits- of risicodelingsreserve, om kortingen te voorkomen.
- De opgebouwde pensioenaanspraken en de pensioenrechten hoeven niet meer te worden doorgegeven aan het pensioenregister.
- Een pensioenfonds mag het beleggingsbeleid in de twaalf maanden na invaren geleidelijk aanpassen aan de leeftijdscohorten. Daarbij mag het pensioenfonds tijdelijk de toedelingsregels aanpassen om herverdelingseffecten te voorkomen.
- Na ontvangst van een verzoek tot individuele waardeoverdracht waaraan een pensioenuitvoerder wettelijk moet meewerken, moet de waarde binnen 15 dagen zijn overgedragen. Dat was 10 dagen.
- Het overzicht van de taken die de AFM uitvoert in het kader van de Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is aangepast.
- Pensioenfondsen moeten uitleg geven over de verschillen in bedragen voor en na de peildatum, en over de redenen daarvoor.
- Voordat het pensioenfonds invaart moet het met een kwalitatieve duiding onderbouwen waarom het pensioenfonds het verzoek van de werkgever om in te varen uitvoert. Dit voorschrift geldt vanaf 1 januari 2026.
Nadat een ingegaan ouderdomspensioen is ingevaren in een flexibele premieregeling zijn bij het shoppen met die regeling de bepalingen van toepassing voor de afhandeling van individuele waardeoverdracht. Denk daarbij aan het doorgeven van informatie aan het overdragende pensioenfonds, het gevolg van overschrijding van de termijnen, de berekening van de overdrachtswaarde, aanwenden van de overdrachtswaarde en behandeling van het pensioen na waardeoverdracht. Indien bij invaren een deel van de waarde van het ouderdomspensioen is aangewend voor de risicodelingsreserve, kan dat deel ook overgedragen worden. De datum van overmaken van de waarde is de overdrachtsdatum en tot dan moet het overdragende pensioenfonds het ouderdomspensioen uitkeren.
AFM transitiebulletin 34
In transitiebulletin 34 uit december 2025 wijst de AFM erop dat pensioenfondsen soms in laag 1 van hun transitieoverzicht nominale bedragen tonen uit de oude pensioenregeling, zonder indexaties, terwijl ze de bedragen in de nieuwe pensioenregeling inclusief toekomstige beleggingsresultaten tonen. Daardoor krijgen deelnemers onrealistische verwachtingen. Een oplossing hiervoor is om de bedragen in de nieuwe regeling op basis van een risicovrije rente te berekenen, of door de bedragen uit de oude regeling inclusief indexatie te tonen. Omdat het overzicht vormvrij is hebben pensioenfondsen hier de ruimte voor.
UPO vanaf 2027
De AFM pleit ervoor om vanaf 2027 alle ingehouden kosten op individueel niveau op het UPO te vermelden. Deze verplichting geldt zowel voor de solidaire premieregeling als voor de flexibele premieregeling.
Go/no go moment
De AFM verwacht dat pensioenfondsen in het prognose-transitieoverzicht het voorbehoud opnemen dat er nog een moment is waarop ze definitief bepalen dat de transitie doorgaat of niet. Nemen ze dat voorbehoud niet op, dan gaat de AFM ervan uit dat het besluit tot transitie definitief is.
Wet toezeggingen Wtp en andere onderwerpen
In het voorstel voor deze wet, dat ter advies voorligt bij de Raad van State, zal naar verwachting onder andere het volgende worden opgenomen.
- Ook aanverwanten in de eerste graad en in de tweede graad in de rechte lijn worden uitgezonderd van het partnerbegrip.
- De omschrijvingen van stiefkind en pleegkind worden vereenvoudigd ten opzichte van de versie van het voorstel dat ter consultatie heeft voorgelegen.
- Voortzetting van de dekking van het wezenpensioen op risicobasis tijdens WW- en ZW-uitkeringen na einde deelname en gedurende 3 of 6 maanden na einde deelname of de WW- of ZW- uitkering wordt voorgeschreven.
- Bij einde deelname moet de mogelijkheid van uitruil van kapitaal ten gunste van wezenpensioen op risicobasis worden aangeboden.
- Het wordt mogelijk om bij de ingang van variabele uitkeringen uit een flexibele premieregeling de niet volledig verwerkte resultaten van voorgaande jaren ineens te verwerken.
DNB vindt het goed als een pensioenfonds de gevoeligheden van belangrijke aannames bij het premiebeleid onder het FTK inzichtelijk maakt. Bijvoorbeeld door de berekende transitie-effecten te vergelijken met de uitkomsten bij een alternatieve aanname.
Indien het pensioenfonds dit wenselijk vindt, kan het de aannames aanpassen, bijvoorbeeld door het invoeren van begrenzingen. Dat laatste kan door:
- het toepassen van een maximale premiedekkingsgraad en
- het definiëren van een dekkingsgraadniveau waarboven premieverlagingen realistisch worden geacht.
DNB vindt het een good practice om uit te gaan van de premiedekkingsgraden en dekkingsgraden die het pensioenfonds in achterliggende jaren heeft waargenomen, of sectorbrede gemiddelden die voor het pensioenfonds representatief zijn.
Q&A’s: techniek transitie-effecten
Hieruit vermelden we de volgende vragen en antwoorden.
- Welke beleidsaannames hanteert een pensioenuitvoerder bij het berekenen van transitie-effecten?
Voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon kan een pensioenfonds afwijken van het beleid in de actuariële en bedrijfstechnische nota of de opdrachtbevestiging, als dit leidt tot een realistischere invulling op langere termijn. In plaats van incomplete beleidsonderdelen worden realistische aannames gehanteerd. - Mag er voor het inzicht in transitie-effecten gebruik worden gemaakt van maatmensen?
Dat mag volgens DNB, als die maatmensen qua kenmerken passen bij het werkelijke deelnemersbestand. - Wordt bij het doorrekenen van de transitie-effecten bij de bepaling van netto-profijt en pensioenverwachtingen de systematiek van mapping toegepast op basis van de beleggingsportefeuille van de pensioenuitvoerder?
Dat mag om aan te kunnen sluiten bij de beleggingscategorieën in de scenariosets die beschikbaar zijn voor de berekening van transitie-effecten. - Gaat een pensioenuitvoerder in de berekening van transitie-effecten uit van statuswijziging?
Voor een zo realistisch mogelijke projectieberekening gaat een pensioenfonds volgens DNB ook uit van een realistische demografische ontwikkeling op collectief niveau. - Houdt de pensioenuitvoerder bij de berekening van transitie-effecten rekening met een stijgende pensioen(richt)leeftijd?
Dat doet een pensioenfonds niet volgens DNB, tenzij een gewijzigde pensioenrichtleeftijd al een concreet onderdeel is van het beleid. - Worden de solidariteits- en risicodelingsreserve bij de bepaling van transitie-effecten gemodelleerd?
Ja. DNB antwoordt hierop dat de vul- en uitdeelregels van de solidariteits- en risicodelingsreserve gemodelleerd worden in de berekening van de transitie-effecten netto profijt en de pensioenverwachting in scenario’s. - Gaat een pensioenuitvoerder bij de berekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die passend is voor de weergave van de effecten?
Ja. Een pensioenfonds gaat volgens DNB in de doorrekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die zodanig is dat het volledige transitie-effect in de tijd wordt meegenomen.
Q&A over de onderbouwing van de hoogte van compensatie
Bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een compensatieregeling moet een pensioenfonds twee zaken nagaan:
- Hoe het nadeel van gemiste toekomstige opbouw wordt bepaald.
DNB geeft twee voorbeelden van de modelberekening hiervoor:
- een stochastische berekening van het netto profijt van de pensioenopbouw in oude en in de nieuwe pensioenovereenkomst
- een benadering van de netto contante waarde van de toekomstige premies en/of toekomstige pensioenopbouw met en zonder doorsneesystematiek via een deterministische berekening met de rentetermijnstructuur.
- In hoeverre verschillende groepen worden gecompenseerd voor de gemiste pensioenopbouw ten gevolge van afschaffing van de doorsneesystematiek. Een groep die een ander voordeel uit de overgang krijgt kan minder gecompenseerd worden.
Q&A onderbouwing en afwijking van de default spreidingstermijn bij de standaardregel
Een pensioenfonds mag afwijken van de standaard spreidingstermijn van 10 jaar. Daarvoor moet het een gedegen onderbouwing geven. Een langere termijn is toegestaan bij een vermogen van meer dan 100% van de technische voorziening. De onderbouwing bevat in ieder geval:
- de bestandssamenstelling; de mate van vergrijzing is dan van belang
- waarom de spreidingstermijn van 10 jaar tot een onevenwichtiger nadeel leidt. Aan de hand van de transitiemaatstaven voor beide termijnen, kan het pensioenfonds tonen of met de afwijkende spreidingstermijn:
- de doelstellingen wel worden behaald,
- een of meer doelstellingen sterker worden of worden behaald.
Het gaat dan om de gevolgen voor alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.