Kort nieuws

In deze rubriek bespreken wij de meest opvallende zaken die momenteel spelen rondom pensioenen


Wet- en regelgeving


Rechtspraak

en toezicht



Diversen

Wet- en regelgeving

Nieuwe performancetoets

In Pensioenitems 2026 nummer 1 berichtten wij over de aanpassing van de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 die ter consultatie heeft voorgelegen. In Staatcourant nr. 13480 van 9 april 2026 is de ‘Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2026, nr. 2026-0000083098’ opgenomen. Dit betreft de wijziging van de ‘Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 in verband met actualisatie van de performancetoets [Keten ID WGK027966]’ . De nieuwe regeling zal op 1 januari 2028 in werking treden. Hierin is de nieuwe regeling van de performancetoets opgenomen.
Nieuw is het volgende:

  • Jaarlijks moet een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds een beleggingsbeleid voor het komende jaar opstellen, met een adequate verdeling over beleggingscategorieën. Of er sprake is van een adequate verdeling is nader ingevuld.
  • Daarnaast moet het bedrijfstakpensioenfonds jaarlijks een normportefeuille vaststellen als benchmark voor het komende jaar.
  • De normportefeuille moet voorzien zijn van herbeleggingsindices voor de deelcategorieën of sectoren waarin wordt belegd.
  • Verder geeft het bedrijfstakpensioenfonds aan welk herschikkingsbeleid wordt gehanteerd. Als substantiële aanpassingen van het beleggingsbeleid lopende het jaar nodig zijn, kan het bedrijfstakpensioenfonds het geplande beleggingsbeleid en de normportefeuille aanpassen.
  • Voorgeschreven is op welke wijze de performancetoets wordt berekend bij fusie van bedrijfstakpensioenfondsen lopende het jaar. Hoe de performancetoets moet worden uitgevoerd is vastgelegd in een bijlage bij het besluit.

De wijziging treedt in werking op 1 januari 2028, maar de eerste toetsing vindt plaats over de periode 2023 tot en met 2027. Over die jaren wordt gebruikgemaakt van de in die jaren geldende normportefeuilles.


Fiscaal verzamelbesluit 2026

Het Fiscale verzamelbesluit 2026 heeft tot 13 maart 2026 ter internetconsultatie voorgelegen. Het verzamelbesluit bevat een aantal maatregelen die relevant zijn voor pensioenfondsen. De belangrijkste maatregelen worden hierna toegelicht. Het verzamelbesluit zal naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treden. De onderstaande maatregelen treden echter met terugwerkende kracht al per 1 juli 2023 in werking.


Wijzigingen in de referteperiode voor pensioengevend loon

De tekst van de regels over de referteperiode voor pensioengevend loon wordt aangepast aan de uitvoeringspraktijk bij - partner- en wezenpensioen, maar ook bij onbetaald verlof en voortzetting van pensioenopbouw na ontslag. De referteperiode voor het bepalen van het pensioengevend loon voor partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum en voor wezenpensioen wordt hierdoor flexibeler:

  • het gemiddelde van de loonbestanddelen mag worden genomen over een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  • de referteperiode hoeft niet direct voorafgaand aan het overlijden te eindigen, zolang deze maar binnen de laatste vijf jaar ligt.

Voor pensioenopbouw tijdens onbetaald verlof of na ontslag geldt een soortgelijke aanpassing: het gemiddelde loon over maximaal vijf jaar voorafgaand aan of na afloop van het verlof of ontslag telt mee.


Indexatie bij vrijwillige aansluiting bedrijfstakpensioenfonds

Bij vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds mag voortaan worden geïndexeerd met de loonindex van de bedrijfstak van het pensioenfonds waarbij de werknemer pensioen opbouwt. Dit maakt de uitvoering van pensioenregelingen volgens het ministerie van Financiën eenvoudiger voor bedrijfstakpensioenfondsen.

Afzien van verevening pensioenrechten gekwalificeerd als schenking

Uit kennisgroepstandpunt KG:063:2026:1 van de Belastingdienst volgt dat er sprake is van een schenking, als een echtgenoot bij echtscheiding uit vrijgevigheid (gedeeltelijk) afziet van zijn recht op pensioenverevening.


De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) gaat ervan uit dat het ouderdomspensioen dat is opgebouwd tijdens het huwelijk, beide echtgenoten in gelijke mate toekomt. Het bewust afzien van dit recht leidt tot:

  1. verarming van de afziende echtgenoot;
  2. verrijking van de andere echtgenoot; en
  3. bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid), omdat het afzien bewust en gewild plaatsvindt.

Daarmee zijn de drie wettelijke vereisten voor een gift/schenking vervuld.


Er is geen sprake van schenking als het afzien van pensioenverevening wordt gecompenseerd. Bijvoorbeeld via een vermogensrechtelijke verrekening bij de verdeling van de gemeenschap van goederen, of via expliciete financiële compensatie in het echtscheidingsconvenant.

Verduidelijking deel Vbar komt te vervallen

Minister Aartsen (Werk en Participatie) heeft bij de Tweede Kamer een nota van wijziging ingediend op het voorstel voor de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Hiermee is, in navolging van de aankondiging in het coalitieakkoord, het gedeelte uit het wetsvoorstel geschrapt dat moet verduidelijken wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. In stand blijft slechts het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op grond van een uurtarief lager dan €38 (peildatum 1 januari 2026).


Deze wijziging moet het eenvoudiger maken een arbeidsovereenkomst te claimen en heeft een preventieve werking bij het aangaan van opdrachten. De verdere verduidelijking van de beoordeling van arbeidsrelaties wordt verplaatst naar een afzonderlijke Zelfstandigenwet (zie ook: Pensioenitems 2025 nummer 2. Het kabinet beoogt het aangepaste wetsvoorstel voor die wet uiterlijk 31 augustus 2026 te publiceren.

Rechtspraak en toezicht

Geen verjaring pensioenpremies op grond van onrechtmatige daad

In Pensioenitems 2025 nummer 6 beschreven wij het vonnis van de kantonrechter Den Haag van 20 november 2025. Hierin hanteerde de kantonrechter de verjaringstermijn van 20 jaar voor een onrechtmatige daad, voor de verjaring van niet betaalde pensioenpremies.


Een ander verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds had met de nota’s van augustus 2023 alle achterstallige premies in rekening gebracht bij een onderneming die niet was aangesloten. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam had in een vonnis van 22 november 2024 bepaald dat de onderneming zich niet bij het bedrijfstakpensioenfonds hoefde aan te sluiten en dus ook niet premieplichtig was. Hiertegen ging het bedrijfstakpensioenfonds in hoger beroep.


Arrest Gerechtshof Amsterdam
In het arrest van 20 januari 2026 (ECLI;NL:GHAMS:2026:166) besliste het Gerechtshof Amsterdam dat het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is op de werknemers van de onderneming. Maar het Gerechtshof bepaalde ook dat de premies van voor augustus 2018 verjaard waren.


Het Gerechtshof volgde het bedrijfstakpensioenfonds niet in de stelling dat het ging om vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige daad van de onderneming, bestaande uit de niet betaalde premies. Op grond van onrechtmatige daad begon volgens het bedrijfstakpensioenfonds de verjaringstermijn van 20 jaar op het moment waarop het met de schade bekend was.


Het Gerechtshof oordeelde dat vergoeding van de schade in wezen niet anders was dan de vordering van niet betaalde periodieke premies. Bij zo’n vordering is het volgens de wetgever in het belang van de schuldenaar en derden om de schuld niet te ver op te laten lopen, wat de reden was om voor die vordering een verjaringstermijn van 5 jaar van artikel 6:308 BW in het leven te roepen.


Die verjaringstermijn kan verlengd worden als de schuldenaar de schuld opzettelijk verborgen heeft gehouden of omdat een beroep op die termijn op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Maar het bedrijfstakpensioenfonds had daar geen beroep op gedaan.

Opmerkingen
Vraag is wat het Gerechtshof zou hebben bepaald als het bedrijfstakpensioenfonds, subsidiair, de waarde van de opgebouwde en ingegane pensioenen had gevorderd. Bij een vordering van premies is het blijkbaar aan te bevelen om (meer) subsidiair gemotiveerd verlenging van de verjaringstermijn van 5 jaar te verlangen.

Compensatie voor afgeschafte toeslagregeling

In Pensioenitems 2024 nummer 3 behandelden we het oordeel van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:2472).


Het betrof een werkgever die van 1982 tot 2007 vrijgesteld was van aansluiting bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds en zich vanaf 2007 daarbij had aangesloten.


De tot de aansluitingsdatum opgebouwde pensioenen van de werknemers zijn achtergebleven bij de toenmalige pensioenuitvoerder. Reglementair is een voorwaardelijke indexering toegezegd. De werkgever had met het bedrijfstakpensioenfonds afgesproken en in een overeenkomst vastgelegd dat de achtergebleven premievrije pensioenaanspraken op gelijke wijze worden geïndexeerd en dat daarvoor een jaarlijkse inkoopsom wordt betaald. In 2022 zegt de werkgever deze overeenkomst op om bedrijfseconomische redenen. Directe aanleiding was de veel hogere indexatie als gevolg van de versoepeling van de indexatieregels.


Enkele voormalige werknemers eisen nakoming van de indexatieverplichting die onderdeel is van de pensioentoezegging.


Kantonrechter
De kantonrechter wees de vordering tot nakoming van de indexatieverplichting toe. Hij oordeelde dat de werkgever zich niet kan beroepen op een eenzijdig wijzigingsbeding in verband met bedrijfseconomische noodzaak, omdat dit slechts mogelijk was tot het moment van de intrekking van de vrijstelling. Daarnaast oordeelde de kantonrechter dat het (eenzijdig doorgevoerde) voorstel om het indexatieperspectief volledig weg te nemen een alles-of-niets karakter heeft, waarvan de redelijkheid zonder gedegen onderbouwing niet valt in te zien. De voormalige werknemers hebben aanspraak op nakoming van de met hen gemaakte afspraak zoals neergelegd in het pensioenreglement.


Zowel de voormalige werknemers als de werkgever gingen tegen dit vonnis in hoger beroep.

Gerechtshof
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 10 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:771) dat de indexatieregeling een voorwaardelijk karakter had. In tegenstelling tot de kantonrechter oordeelde het Gerechtshof dat het eenzijdig wijzigingsbeding ook na intrekking van de vrijstelling gold. Maar omdat de werkgever ook in hoger beroep de financiële noodzaak van afschaffing van de toeslagenregeling niet onderbouwd had, oordeelde het Gerechtshof dat de werkgever in strijd met de pensioenovereenkomst had gehandeld.


Op grond van nawerking van goed werkgeverschap was de werkgever verplicht de pensioenen van de ex-werknemers te indexeren, zoals het bedrijfstakpensioenfonds deed.
De werkgever moet bij het bedrijfstakpensioenfonds de hoogte van de indexaties en bij de oude pensioenuitvoerder de hoogte van de koopsommen voor deze indexaties opvragen en binnen een maand na ontvangst van de laatste opgave betalen.


De werkgever moet de wettelijke rente over de niet ontvangen indexaties van de pensioenen aan de ex-werknemers vergoeden.

Indienen rapportages bij DNB

Vanaf 12 augustus 2026 geldt het aangepaste handhavingsbeleid van DNB voor de indiening van de ‘Macro-Economische Statistiek Rapportage’ (MESRAP), de ‘Maand Effecten Rapportage’ (MER) en de ‘Captive Financial Institutions and Money Lenders’ (CFI) Benchmark.
Rapportages zijn tijdig ingeleverd als ze uiterlijk op de voorgeschreven datum zijn ingediend, op de digitale wijze zijn verstuurd die DNB heeft voorgeschreven, en de status ‘voldaan’ hebben in het Digitaal Loket Rapportages (DLR). Een instelling die te laat is, krijgt eerst alsnog een termijn van tien dagen voor de aanlevering. Daarna geldt een boete van € 1.250 per werkdag met een maximum van € 12.500.

Vereenvoudigde boeteprocedure DNB en AFM

De AFM beschikte al vier jaar over een dergelijke procedure. Deze is enigszins aangepast en wordt ook door de DNB gehanteerd. De AFM verruimt de mogelijkheden van vereenvoudigde boeteafdoening. Die procedure houdt op hoofdlijnen het volgende in.


Het initiatief voor de verkorte procedure ligt bij de toezichthouder. De toezichthouder en de betrokken partij komen het volgende overeen:

  1. De betrokken partij erkent de feiten die ten grondslag liggen aan de door de toezichthouder geconstateerde overtreding.
  2. De betrokken partij accepteert de boete en ziet af van bezwaar en beroep tegen zowel de boete zelf als de publicatie van het boetebesluit.
  3. De toezichthouder legt aan de betrokken partij met een verkort besluit een bestuurlijke boete op.
  4. De toezichthouder past op het boetebedrag een vermindering toe van 15%.

Vergunning derdelanders

Personen van buiten Europa met een werk- en verblijfsvergunning van een andere Europese lidstaat mogen in Nederland werken. Ook nadat ze kort in de andere lidstaat zijn en soms voor ander werk dan waarvoor de werkvergunning is afgegeven. Minister Van Hijum (SZW) wil regelen dat die personen langer in de andere lidstaat verblijven voordat ze in Nederland mogen werken, en dat ze in Nederland slechts werk verrichten waarvoor de andere lidstaat de vergunning heeft afgegeven. Het gaat om een verduidelijking van regels die werkgevers moeten naleven en waarop de Nederlandse Arbeidsinspectie de naleving beter kan controleren.

Diversen

Uitspraken Geschilleninstantie Pensioenfondsen

Andere hoog/laag-uitkering na collectieve waardeoverdracht
Een deelnemer gaf bij zijn pensioenfonds aan het ouderdomspensioen vervroegd te willen laten ingaan per 1 oktober 2023 met een hoog/laag constructie. Per die datum werd zijn pensioen in verband met liquidatie van zijn pensioenfonds overgedragen naar een algemeen pensioenfonds. Eerst zou zijn pensioen worden vastgesteld op basis van factoren van zijn eigen pensioenfonds en daarna op basis van factoren van het algemeen pensioenfonds. De uitkering door het algemeen pensioenfonds viel volgens de deelnemer €3.427 lager uit dan de uitkering die het eigen pensioenfonds had berekend.

Volgens het algemeen pensioenfonds was dat €2.306,44. Het eigen pensioenfonds compenseerde €1.855,22 wat veroorzaakt werd door een verschil in vervroegingsfactoren. De deelnemer vorderde het verschil van €451,21 van het algemeen pensioenfonds, wat het algemeen pensioenfonds afwees. Daarna wendde de deelnemer zich tot GIP.

GIP wees de vordering af, omdat het algemeen pensioenfonds volgens het pensioenreglement had gehandeld en ook conform had gecommuniceerd. Het algemeen pensioenfonds was volgens GIP niet gehouden aan eventuele ongelukkige communicatie door het eigen pensioenfonds die mogelijk de deelnemer op het verkeerde been had gezet.


Latere ingang verevend ouderdomspensioen
De ex-echtgenote van een deelnemer kreeg een brief op 15 november 2024 met de mededeling dat het te verevenen ouderdomspensioen op 15 mei 2025 in zou gaan. Op 16 januari 2025 volgde een brief met de mededeling dat de uitkering in hoogte zou variëren. Op 17 januari 2025 volgde een brief dat het te verevenen ouderdomspensioen op 15 mei 2027 zou ingaan, omdat de deelnemer de ingangsdatum van het ouderdomspensioen had uitgesteld. De ex-echtgenote was het daar niet mee eens, omdat in de brief van 16 januari 2025 niet stond wat in de andere brieven wel stond, namelijk dat het te verevenen pensioen later kon ingaan, als de deelnemer het ouderdomspensioen zou uitstellen en diende een klacht in bij het pensioenfonds. Omdat de ex-echtgenote en het pensioenfonds er niet uitkwamen, werd het geschil voorgelegd aan GIP.

GIP wees de klacht af, omdat het pensioenfonds handelde volgens het pensioenreglement en de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Van opgewekt vertrouwen was volgens GIP daarom geen sprake, mede doordat de ex-echtgenote geen schade zou leiden, omdat de uitkering hoger zou worden en omdat de ex-echtgenote geen financiële beslissingen had genomen die ze zonder de brief niet zou hebben genomen.

Governance

De Tweede Kamer heeft door het aannemen van de Motie Vermeer van 31 maart 2026, de regering verzocht om voorstellen voor de inrichting van de governance van pensioenfondsen onder de Wtp. Dit betreft onder meer directe en structurele zeggenschap van deelnemers en een herijking van de rol van de sociale partners.

Compliance functie bij pensioenfondsen

Uit het verkennend onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) blijkt dat een zichtbare en structureel betrokken compliancefunctie de risico’s voor deelnemers eerder kan signaleren en het bestuur beter ondersteunt bij zorgvuldige besluitvorming. Hoewel een formele compliancefunctie niet wettelijk verplicht is en de inrichting per pensioenfonds verschilt, blijkt dat een compliancefunctie kan fungeren als kritische, onafhankelijke tegenkracht voor het bestuur en kan bijdragen aan reflectie op de effecten van beleid en besluiten voor deelnemers.

Toezicht in beeld 2025 - 2026

DNB schrijft hierin dat de aandacht richting pensioenfondsen in 2025 voornamelijk uit is gegaan naar de pensioentransitie. Daardoor zijn minder (reguliere) toezichtsinstrumenten ingezet. In 2025 zijn in totaal 27 beschikkingen afgegeven en 51 partiële beoordelingen uitgevoerd.


Ook in 2026 zal veel capaciteit uitgaan naar de pensioentransitie van de pensioenfondsen. Daarnaast zal DNB bij de reeds ingevaren pensioenfondsen aandacht hebben voor Toetsmoment 2. Verder zal veel aandacht besteed worden aan de cyberweerbaarheid van pensioenfondsen. Daarbij zal DNB voornamelijk aandacht besteden aan de beheersing van IT- en cyberrisico’s en de risico’s die samenhangen met uitbestede ICT-dienstverlening. Om dit te kunnen bereiken, zal bij een selectie van pensioenfondsen en PUO’s nader onderzoek door DNB worden verricht in de vorm van onder meer risico-inventariserende gesprekken en deep-dives.

Aanpassing mate van variatie van pensioenuitkeringen na ingangsdatum

Bij overgang van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst met slechts variabele uitkeringen, moet het pensioenfonds gepensioneerden de keuze bieden tussen een variabele uitkering bij het pensioenfonds, of waardeoverdracht voor een vastgestelde uitkering bij een andere pensioenuitvoerder (artikel 150l, zesde lid, Pensioenwet). Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst behandelt in V&A 26-003 de vraag of een gepensioneerde bij de waardeoverdracht de mate van variatie in pensioenuitkeringen nog kan aanpassen.


Het CAP concludeert dat de mate van variatie (bijvoorbeeld 100:75) van de pensioenuitkeringen uiterlijk op de pensioeningangsdatum moet zijn vastgesteld (artikel 18d, eerste lid, Wet LB 1964). Bij toepassing van artikel 150l, zesde lid, Pensioenwet mag die mate van variatie daarom niet worden gewijzigd, ongeacht:

  • of de gepensioneerde kiest voor een vaste of variabele uitkering;
  • of de uitkering bij hetzelfde pensioenfonds of bij een andere pensioenuitvoerder wordt ondergebracht.

De keuze voor variatie is fiscaal dus definitief bij ingang van het pensioen. Overgang naar een andere uitkeringsvorm of uitvoerder biedt geen ruimte om die variatie later te wijzigen.

Versnelde verhoging AOW-leeftijd

Een van de pensioenplannen van het kabinet Jetten is het versneld verhogen van de AOW-leeftijd. Uit de antwoorden van minister Vijlbrief (SZW) op de vragen van Tweede Kamerlid Patijn (GroenLinks-PvdA) over de houdbaarheid van de AOW, volgt dat houdbaarheid van de AOW onder druk staat.


Door vergrijzing stijgt het aantal AOW’ers, terwijl het aantal werkenden minder snel groeit. De AOW wordt daardoor steeds meer gefinancierd uit belastinggeld. Het kabinet wenst de AOW-leeftijd sneller te verhogen om de betaalbaarheid te kunnen waarborgen. Dit leidt tot besparingen op de AOW, maar zorgt er ook voor dat meer mensen langer afhankelijk zijn van andere sociale zekerheidsregelingen zoals de WW, WIA en bijstand. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 45% van de besparing op de AOW wordt uitgegeven aan deze andere uitkeringen. Tegelijkertijd is er echter geen bewijs dat ouderen massaal eerder stoppen met werken voor een uitkering.


Tweede Kamer

Op 7 april 2026 heeft de Tweede Kamer de motie van Tweede Kamerlid Jimmy Dijk (SP) verworpen. Deze motie bevatte het verzoek om de verhoging van de AOW-leeftijd definitief te schrappen.


Eerste Kamer
Op dezelfde datum nam de Eerste Kamer de motie van Kamerlid Rosenmöller (GroenLinks-PvdA) aan. Daarmee verzoekt de Eerste Kamer de regering om af te zien van het voornemen om de AOW-leeftijd versneld te verhogen.

Pensioen APK-gesprek is belastbaar loon (update)

In Pensioenitems 2025 nummer 5 gaven wij reeds aan dat een persoonlijk pensioenadvies op kosten van de werkgever wordt belast met loonbelasting. Op 7 april 2026 heeft de Eerste Kamer de motie van Tweede Kamerlid Vermeer (BBB) verworpen. Met deze motie werd de regering verzocht om een persoonlijk financieel en pensioenadvies, dat door of via de werkgever wordt verzocht, vrij te stellen van loonbelasting. Een Pensioen APK-gesprek op kosten van de werkgever blijft fiscaal gezien belastbaar loon.

Basisverzekering voor zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid

Voor de introductie van een verplichte basisverzekering voor zelfstandigen heeft het kabinet op 24 maart 2026 bij de Tweede Kamer het voorstel ingediend voor de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Zelfstandigen zijn personen die winst uit onderneming genieten. Verzekerd zijn zelfstandigen die rechtmatig in Nederland verblijven.


Deze verzekering biedt een minimuminkomen tot aan de AOW-leeftijd. De maximale premie zal naar verwachting €171 per maand gaan bedragen. De bruto premie is afhankelijk van de winst, met een maximum van 5,4%.


Bij arbeidsongeschiktheid geldt een wachttijd van twee jaar voordat men een uitkering ontvangt. In die periode is het de eigen verantwoordelijkheid om het inkomensverlies op te vangen.
Het kabinet wil zo een sociaal vangnet bieden, terwijl zelfstandigen hun ondernemingsvrijheid behouden.


Zelfstandigen die al een private verzekering hebben kunnen onder voorwaarden van het UWV een ontheffing krijgen van de verplichte verzekering.

2026-04-20 12:57:01
  • Cover
  • Voorwoord
  • Ontwikkelingen Wet toekomst pensioenen
  • Kort nieuws
  • Van gelijke naar degressieve pensioenopbouw
  • Kom met ons in contact
  • Colofon
2026-04-22 00:00:00