Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen
In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen in de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel.
Lees verder
Keuzerecht bedrag ineens
De Eerste Kamer heeft op 10 februari 2026 besloten het voorstel voor de Wet herziening bedrag ineens pas te behandelen nadat het nieuwe kabinet duidelijkheid heeft verschaft over de inwerkingtreding. Met de brief van 30 maart 2026 heeft minister Vijlbrief (SZW) aangegeven dat de beoogde inwerkingtreding van de Wet herziening bedrag ineens wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029. Dit is nadien ook bevestigd in de voorjaarsnota 2026.
De Tweede Kamer heeft echter op 7 april 2026 met de aanvaarding van de motie van Kamerlid Ceulemans (JA21) aangegeven dat vertraging van de invoering het vertrouwen in de uitvoering kan ondermijnen. Daarom verzoekt de Tweede Kamer de regering zo spoedig mogelijk met de pensioenuitvoerders te overleggen om de invoering te vervroegen. De Kamer wordt hierover graag voor Prinsjesdag geïnformeerd. In zijn brief van 17 april 2026 aan de Tweede Kamer liet minister Vijlbrief weten dat een eerdere datum niet mogelijk is, in verband met keuzerecht, communicatie en uitvoerbaarheid.
Bevriezing maximum pensioengevend salaris
Uit de voorjaarsnota 2026 blijkt dat de reeds aangekondigde bevriezing van het maximum pensioengevend salaris op
€ 137.800 zal gelden tot 1 januari 2033. Het gevolg van deze maatregel is dat de pensioenopbouw van de hoogste inkomens vanuit fiscaal perspectief beperkt wordt.
Commissiedebat Toekomst pensioenstelsel
In het overleg van de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer met de toenmalige demissionaire minister Pauw (SZW) zijn op 29 januari 2026 diverse onderwerpen de revue gepasseerd. De belangrijkste onderwerpen lichten wij hierna toe.
Compensatie
Met betrekking tot compensatie noemde Kamerlid Patijn (GroenLinks-PvdA) een aantal gevallen waarin werknemers een eenmalige compensatie van een pensioenfonds missen, bijvoorbeeld omdat ze door reorganisatie hun baan verliezen, een WW-uitkering hebben, of niet in staat zijn tot zelfstandige voortzetting na einde deelneming. De minister is gevraagd naar zijn mening hierover en hoe de minister dit denkt op te lossen. Ook Kamerlid Van Ark (CDA) was bezorgd of groepen waarvoor compensatie nodig is deze wel krijgen. Dat Kamerlid wilde weten of de minister de zorgen deelt en ook vindt dat de communicatie tekortschiet. Kamerlid Ceulemans (JA21) meldde dat mensen andere keuzes zouden hebben gemaakt als ze vooraf hadden geweten wat de gevolgen waren geweest voor compensatie. Bijvoorbeeld wat de consequenties zijn voor compensatie als iemand minder uren werkt, of werkt als zelfstandige. Hij vindt dat onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor communicatie daarover en wil weten waar mensen terecht kunnen als ze achteraf pas begrijpen wat de gevolgen zijn van hun keuze voor de compensatie.
Volgens de minister bieden pensioenfondsen de informatie en wijzen ze op de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting. De minister vraagt de Kamerleden om met concrete voorbeelden te komen van situaties waarin de informatieverschaffing onvoldoende was.
Premieovername bij faillissement
Kamerlid Van Ark signaleerde dat werknemers bij faillissement geen verzoek bij het UWV indienen om de achterstallige premies te voldoen en vroeg of dat niet beter geregeld kan worden.
De minister is in gesprek met het UWV en de Pensioenfederatie over een mogelijke verbetering van de regeling om achterstallige premies bij faillissement van de werkgever door het UWV vergoed te krijgen. Gekeken wordt naar de mogelijkheid dat pensioenfondsen het verzoek namens werknemers indienen.
Zeggenschap deelnemers
Kamerlid Dijk (SP) wil met name van de Kamerleden van het CDA en D66 weten hoe zij de zeggenschap van werknemers en deelnemers bij pensioenfondsen willen versterken. Ook Kamerlid Vermeer (BBB) wilde weten of de minister bereid is nieuwe modellen voor de governance te onderzoeken waarmee deelnemers meer zeggenschap krijgen
Voor wat betreft meer invloed van de deelnemer wijst de minister op initiatieven zoals enquêtes.
Koopkrachtbehoud
Kamerlid Vermeer (BBB) vroeg de minister of pensioenfondsen niet meer op behoud van koopkracht zouden moeten sturen.
In reactie wijst de minister erop dat koopkrachtcompensatie bepaald wordt door het beleggingsbeleid, waarvoor de risicohouding van belang is en de strategische afweging tussen nominale zekerheid en het volgen van de inflatie. De minister heeft met de Tweede Kamer de resultaten gedeeld van een verkenning van mogelijkheden van pensioenfondsen om te sturen op koopkracht. Die mogelijkheden worden nu verder onderzocht en doorgerekend.
DNB en Pensioentransitie
In 'Toezicht pensioentransitie 2026' ‘beschrijft DNB de ervaringen rond de verlening van verklaringen dat er geen verbod op invaren wordt opgelegd.
Aantallen
DNB meldt 30 van de 76 ontvangen invaarmeldingen te hebben afgerond. Ook heeft DNB 80 partiële beoordelingen afgerond. Die hadden betrekking op risicohouding, datakwaliteit en het pensioencontract. De doorlooptijd is korter geworden en bedroeg in sommige dossiers minder dan 6 maanden.
Bevindingen
Pensioenfondsen hebben tijdens het beoordelingsproces de onderbouwing van de evenwichtigheid van herverdelingseffecten concreet toegelicht, soms instrumenten aangepast, of bestuurlijke ruimte gebruikt om tot een evenwichtige transitie te komen. DNB heeft constructief aangegeven wanneer dossiers tot een invaarverbod zouden leiden, waarop pensioenfondsen hun melding hebben aangepast of ingetrokken.
Bij de beoordelingen constateerde DNB dat:
- transitie-effecten deels werden gedreven door onrealistische veronderstellingen en scenario’s;
- pensioenfondsen in een aantal gevallen de financiële effecten inzichtelijk maakten via pensioenverwachtingen en niet via netto-profijt effecten, terwijl beiden wettelijk verplicht zijn;
- pensioenfondsen volgens DNB onvoldoende de kwetsbaarheid van de compensatiemaatregel in beeld hebben, als ze uitgaan van de ‘mediane pensioenverwachting’, of als ze kiezen voor een compensatie die niet meebeweegt met de rentestand;
- pensioenfondsen bij toepassing van de standaardregel niet altijd oog hebben voor herverdelingseffecten ten gevolge van fondskenmerken;
- soms een adequate onderbouwing ontbreekt voor de hantering van een kortere spreidingsperiode;
- sommige pensioenfondsen te weinig oog hebben gehad voor het gevolg van de initiële vulling en inrichting van de solidariteitsreserve op de evenwichtige belangenafweging. Dat is het geval als de pensioenvermogens van alle deelnemers worden gebruikt voor de vulling, terwijl pensioenen van oudere deelnemers daarvan het meeste voordeel hebben;
- bijna alle pensioenfondsen de bestuurlijke ruimte hebben benut voor de realisatie van een evenwichtige transitie, zoals de mogelijkheid om met vermogens te schuiven;
- pensioenfondsen in veel gevallen niet concreet waren over de herverdelingseffecten die ze beoogden met de transitie;
- pensioenfondsen veel aandacht hadden voor operationele- en IT-risico’s en het borgen van datakwaliteit.
Oproepen voor de toekomst
- DNB roept pensioenfondsen op te leren van ervaringen van pensioenfondsen die al zijn ingevaren;
- DNB wijst er daarbij op dat, hoewel het data kwaliteitskader belangrijk blijft en operationele systemen een goed uitgangspunt zijn, er nog veel moet gebeuren. De reden daarvoor is dat operationele systemen niet altijd volledig of volkomen geautomatiseerd zijn en zich in praktijk moeten bewijzen;
- DNB roept pensioenfondsen die een toezichtbrief hebben ontvangen op om aan de slag te gaan met overtredingen die het invaren niet in de weg stonden. Voorbeelden daarvan zijn de vaststelling van de risicohouding en vertaling naar het beleggingsbeleid, de vormgeving van de solidariteits- of risicoreserve, de inrichting van de uitkeringsfase en vaststelling van de kostenvoorziening en tot slot het Minimaal Vereist Eigen Vermogen en Eigen Vermogen.
AFM en transitie
In Transitiebulletin pensioenen 36 behandelt de AFM diverse onderwerpen, waaronder:
Communicatie aanpassing uitkering
De AFM schrijft dat pensioengerechtigden in het nieuwe stelsel minimaal een maand van tevoren moeten zijn ingelicht over een wijziging van hun uitkering, zowel van een verlaging als van een verhoging. Het gaat dan niet om een maand voorafgaand aan de dag waarop de pensioenen worden uitgekeerd, maar om de datum vanaf wanneer de aanpassing geldt.
Maatregelen freeze periode
AFM adviseert pensioenfondsen:
- tijdig een impactanalyse te maken om te kijken welke deelnemers geraakt kunnen worden tijdens de freeze periode en deze deelnemers tijdig hierover te informeren;
- ervoor te zorgen goed bereikbaar te zijn;
- beide aandachtspunten uit te werken als onderdeel van het communicatieplan, als dat nog opgesteld moet worden.
Informatieverzoeken
Niet alle pensioenfondsen die invaren zullen door de AFM om informatie worden verzocht voor en na de transitie. De AFM zal voortaan een selectie hieromtrent verzoeken. Wel zullen alle pensioenfondsen die invaren een brief ontvangen met de minimale verwachtingen van de AFM inzake de prognose- en definitieve transitieoverzichten die deelnemers gaan ontvangen.
DNB vindt het goed als een pensioenfonds de gevoeligheden van belangrijke aannames bij het premiebeleid onder het FTK inzichtelijk maakt. Bijvoorbeeld door de berekende transitie-effecten te vergelijken met de uitkomsten bij een alternatieve aanname.
Indien het pensioenfonds dit wenselijk vindt, kan het de aannames aanpassen, bijvoorbeeld door het invoeren van begrenzingen. Dat laatste kan door:
- het toepassen van een maximale premiedekkingsgraad en
- het definiëren van een dekkingsgraadniveau waarboven premieverlagingen realistisch worden geacht.
DNB vindt het een good practice om uit te gaan van de premiedekkingsgraden en dekkingsgraden die het pensioenfonds in achterliggende jaren heeft waargenomen, of sectorbrede gemiddelden die voor het pensioenfonds representatief zijn.
Q&A’s: techniek transitie-effecten
Hieruit vermelden we de volgende vragen en antwoorden.
- Welke beleidsaannames hanteert een pensioenuitvoerder bij het berekenen van transitie-effecten?
Voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon kan een pensioenfonds afwijken van het beleid in de actuariële en bedrijfstechnische nota of de opdrachtbevestiging, als dit leidt tot een realistischere invulling op langere termijn. In plaats van incomplete beleidsonderdelen worden realistische aannames gehanteerd. - Mag er voor het inzicht in transitie-effecten gebruik worden gemaakt van maatmensen?
Dat mag volgens DNB, als die maatmensen qua kenmerken passen bij het werkelijke deelnemersbestand. - Wordt bij het doorrekenen van de transitie-effecten bij de bepaling van netto-profijt en pensioenverwachtingen de systematiek van mapping toegepast op basis van de beleggingsportefeuille van de pensioenuitvoerder?
Dat mag om aan te kunnen sluiten bij de beleggingscategorieën in de scenariosets die beschikbaar zijn voor de berekening van transitie-effecten. - Gaat een pensioenuitvoerder in de berekening van transitie-effecten uit van statuswijziging?
Voor een zo realistisch mogelijke projectieberekening gaat een pensioenfonds volgens DNB ook uit van een realistische demografische ontwikkeling op collectief niveau. - Houdt de pensioenuitvoerder bij de berekening van transitie-effecten rekening met een stijgende pensioen(richt)leeftijd?
Dat doet een pensioenfonds niet volgens DNB, tenzij een gewijzigde pensioenrichtleeftijd al een concreet onderdeel is van het beleid. - Worden de solidariteits- en risicodelingsreserve bij de bepaling van transitie-effecten gemodelleerd?
Ja. DNB antwoordt hierop dat de vul- en uitdeelregels van de solidariteits- en risicodelingsreserve gemodelleerd worden in de berekening van de transitie-effecten netto profijt en de pensioenverwachting in scenario’s. - Gaat een pensioenuitvoerder bij de berekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die passend is voor de weergave van de effecten?
Ja. Een pensioenfonds gaat volgens DNB in de doorrekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die zodanig is dat het volledige transitie-effect in de tijd wordt meegenomen.
Q&A over de onderbouwing van de hoogte van compensatie
Bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een compensatieregeling moet een pensioenfonds twee zaken nagaan:
- Hoe het nadeel van gemiste toekomstige opbouw wordt bepaald.
DNB geeft twee voorbeelden van de modelberekening hiervoor:
- een stochastische berekening van het netto profijt van de pensioenopbouw in oude en in de nieuwe pensioenovereenkomst
- een benadering van de netto contante waarde van de toekomstige premies en/of toekomstige pensioenopbouw met en zonder doorsneesystematiek via een deterministische berekening met de rentetermijnstructuur.
- In hoeverre verschillende groepen worden gecompenseerd voor de gemiste pensioenopbouw ten gevolge van afschaffing van de doorsneesystematiek. Een groep die een ander voordeel uit de overgang krijgt kan minder gecompenseerd worden.
Q&A onderbouwing en afwijking van de default spreidingstermijn bij de standaardregel
Een pensioenfonds mag afwijken van de standaard spreidingstermijn van 10 jaar. Daarvoor moet het een gedegen onderbouwing geven. Een langere termijn is toegestaan bij een vermogen van meer dan 100% van de technische voorziening. De onderbouwing bevat in ieder geval:
- de bestandssamenstelling; de mate van vergrijzing is dan van belang
- waarom de spreidingstermijn van 10 jaar tot een onevenwichtiger nadeel leidt. Aan de hand van de transitiemaatstaven voor beide termijnen, kan het pensioenfonds tonen of met de afwijkende spreidingstermijn:
- de doelstellingen wel worden behaald,
- een of meer doelstellingen sterker worden of worden behaald.
Het gaat dan om de gevolgen voor alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.