Kort nieuws

In deze rubriek bespreken wij de meest opvallende zaken die momenteel spelen rondom pensioenen


Wet- en regelgeving


Rechtspraak

en toezicht



Diversen

Wet- en regelgeving

Geen fiscale sanctie bij niet-opgevraagd pensioen

Als een pensioen niet op de uiterste datum wordt uitgekeerd, is, naast heffing van belasting en premies volksverzekering, een heffings- en boeterente de fiscale sanctie. Een pensioenuitvoerder moet die afdragen.


In het voorstel Fiscale verzamelwet 2027 wordt onder andere geregeld dat een pensioen dat te laat wordt uitgekeerd niet getroffen wordt door die fiscale sanctie als de uitkeringen over de periode tussen het uiterste tijdstip en het moment van uitkering ineens worden uitgekeerd.


De Minister van Financiën kan daarvoor voorwaarden stellen. Volgens de ingediende Memorie van Toelichting kan gedacht worden aan voorwaarden als:

  • de pensioengerechtigde moet in leven zijn als het pensioen wordt opgevraagd;
  • de pensioenuitvoerder moet geprobeerd hebben in contact te komen met de pensioengerechtigde.

Het kabinet wil de Fiscale verzamelwet 2027 op 1 januari 2027 in werking laten treden.

Uiterlijke ingangsdatum wezenpensioen bij geboorte na overlijden deelnemer

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst behandelt in V&A 26-004 de vraag wanneer een wezenpensioen uiterlijk moet ingaan in de situatie waarin een kind wordt geboren na het overlijden van de werknemer. Op grond van artikel 18c, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt in beginsel dat een wezenpensioen uiterlijk moet ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van overlijden van de werknemer. Deze hoofdregel sluit echter niet aan bij de situatie waarin het kind pas na het overlijden wordt geboren, omdat het recht op wezenpensioen pas kan ontstaan op het moment van geboorte.


Daarom wordt in deze specifieke situatie een afwijkende uitleg gehanteerd. Fiscaal is een wezenpensioen toegestaan indien het uiterlijk ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de kalendermaand waarin het kind is geboren. Voor de definitie van het begrip 'kind' wordt aangesloten bij het Burgerlijk Wetboek.


Hiermee wordt voorkomen dat er geen recht op wezenpensioen zou bestaan bij een postuum geboren kind, wat niet in overeenstemming zou zijn met het doel van de regeling, namelijk het bieden van inkomensbescherming aan kinderen van een overleden werknemer.

Rechtspraak en toezicht

Een verplichtstelling zonder ondergrens moet worden uitgelegd ​​​​​​​

Een bedrijfstakpensioenfonds waarvan de verplichtstelling geen hoofdzakelijkheidscriterium bevat, deelde een onderneming mee dat die zich verplicht moest aansluiten. De onderneming wendde zich daarop tot de kantonrechter, omdat er slechts een mogelijkheid was dat een klein deel van de werkzaamheden onder de verplichtstelling kon vallen. De kantonrechter bepaalde echter dat de onderneming zich moest aansluiten.


In hoger beroep van de onderneming bepaalde het Gerechtshof ’s Hertogenbosch dat de onderneming weliswaar onder de verplichtstelling viel, maar dat het bedrijfstakpensioenfonds zich in redelijkheid en billijkheid niet op de verplichtstelling kon beroepen. De reden daarvoor was dat slechts een fractie van de werkzaamheden van de onderneming onder de verplichtstelling viel.


Hoge Raad

Nadat het bedrijfstakpensioenfonds tegen het arrest van het Gerechtshof cassatie had ingesteld, bepaalde de Hoge Raad op 22 mei 2026 (ECLI:NL:HR:2026:795) dat deze motivering van het Gerechtshof ondeugdelijk was. Het Gerechtshof had de verplichtstelling op grond van de cao-norm moeten uitleggen. Dat betekent dat niet slechts naar de letterlijke tekst gekeken moet worden, maar ook naar de rechtsgevolgen. Dat moet met name als het ontbreken van een ondergrens tot gevolg heeft dat een onderneming zich zou moeten aansluiten terwijl die onderneming activiteiten heeft die niets te maken hebben met die van de bedrijfstak waarvoor de verplichtstelling geldt.


De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Gerechtshof, en verwijst naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om het geding verder te behandelen en te beslissen.

Uitleg van een verplichtstelling

Een verplichtstelling kent een opsomming van activiteiten, die maken dat werknemers van bedrijven die die activiteiten uitvoeren verplicht moeten deelnemen in een bedrijfstakpensioenfonds. Een hoofdzakelijkheidscriterium ontbreekt. Ook kent de verplichtstelling een bepaling dat als andere activiteiten in overwegende mate worden verricht, er geen plicht tot deelneming is.


De PG (Procureur Generaal) bij de Hoge Raad stipte een aantal zaken aan over hoe volgens hem met een dergelijke bepaling moet worden omgegaan. Dat deed hij in zijn advies over een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het had bepaald dat een onderneming zich moest aansluiten.


Uit het advies van de PG noemen we de volgende punten:

  • Bij de bepaling van de mate van uitoefening van activiteiten mogen ook inleners, zzp’ers en aannemers worden meegenomen. Partijen waren in het geschil overeengekomen dat dat zou worden gedaan op basis van fictieve salarissen.
  • Bij een groep of concern moet per rechtspersoon worden bekeken of die onder de verplichtstelling valt. Een verplichtstelling kan ook een bepaling bevatten op grond waarvan een bedrijf zich verplicht moet aansluiten als dat bedrijf binnen een groep of concern slechts diensten uitoefent ten behoeve van andere rechtspersonen in de groep activiteiten als genoemd in de verplichtstelling.
  • Als verschillende activiteiten in een verplichtstelling worden genoemd, moet niet per omzet of loonsom per activiteit worden bekeken of een onderneming zich moet aansluiten, maar voor alle activiteiten samen. Dat geldt ook voor de bepaling op grond van de verplichtstelling of een onderneming in overwegende mate andere activiteiten ontplooit.

Rapportage EMIR

Pensioenfondsen die onder de Europese clearingverplichting (EMIR) vallen, moeten op 31 juli 2026 hun eerste rapportage over hun AAR (Active Account Requirement) hebben ingediend bij DNB. De rapportage omvat de periode 25 juni 2026 tot en met 30 juni 2026. De ESMA (European Securities and Markets Authority) heeft eerder dit jaar de templates en instructies hiervoor gepubliceerd (ESMA releases reporting templates and instructions for the Active Account Requirement).

Jaarverslag AFM

In het jaarverslag van toezichthouder AFM staat dat de pensioensector vooral wordt gedomineerd door de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De AFM richt zich daarbij sterk op het borgen van het deelnemerbelang, met veel aandacht voor begrijpelijke, evenwichtige en realistische communicatie over onder meer nabestaandenpensioen, scenario bedragen en compensatie. De toezichthouder concludeert dat de pensioensector deelnemers steeds beter informeert over wat zij kunnen verwachten bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.


Tegelijkertijd moeten nieuwe pensioenregelingen aantoonbaar aansluiten bij de kenmerken en behoeften van deelnemers. Daarbij is keuzebegeleiding een belangrijk aandachtspunt. De toezichthouder ondersteunt de sector actief via onderzoeken, handreikingen en intensieve dialoog. In dit kader heeft AFM in 2025 80 communicatieplannen beoordeeld en daarbij werd ook de transitiecommunicatie van onder meer pensioenfondsen tegen het licht gehouden. De bevindingen hieromtrent hebben wij uitgewerkt in voorgaande edities van Pensioenitems.

AFM positief over herziening IORP II-richtlijn

De AFM steunt de voorgestelde herziening van de Europese IORP II‑richtlijn. Deze herziening legt de minimumnormen vast voor governance, risicobeheer en informatieverstrekking bij pensioenuitvoerders.


De herziening moet grensoverschrijdende activiteiten vergemakkelijken en bijdragen aan een meer geïntegreerde Europese pensioenmarkt. Volgens de AFM kan dit ertoe leiden dat meer Europeanen pensioen opbouwen in de tweede en derde pijler, wat schaalvoordelen en lagere kosten kan opleveren.


De AFM is met name positief over voorstellen zoals de suggesties voor meer transparantie over alle kosten, strengere geschiktheidseisen voor bestuurders, de verplichting van een compliancefunctie en de invoering van een algemene zorgplicht. Deze maatregelen versterken volgens de toezichthouder de bescherming van deelnemers.


Tegelijkertijd is de AFM kritisch op het plan voor een Europees uniform pensioenoverzicht (UPO), omdat dit mogelijk onvoldoende rekening houdt met verschillen tussen nationale pensioenstelsels en informatiebehoeften van deelnemers.

Vrijstelling van btw op diensten pensioenfondsen

Dit onderwerp is reeds aan de orde gesteld in eerdere edities van Pensioenitems. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde eerder dat de uitvoering van pensioenregelingen voldoende kenmerken heeft van een verzekeringshandeling en daarom onder de vrijstelling valt. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kwam daarentegen tot een ander oordeel en stelde dat niet aan alle vereisten is voldaan, met name omdat er niet duidelijk sprake is van een voorafgaande premiebetaling zoals vereist bij een verzekering.


De advocaat-generaal (AG) adviseert de Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU over de vraag of de btw‑verzekeringsvrijstelling van toepassing is op de uitvoering van pensioenregelingen door pensioenfondsen. Het geschil ziet op pensioenfondsen die onder het oude stelsel (vóór de Wet toekomst pensioenen) pensioenregelingen uitvoeren en draait om twee kernpunten: of deze activiteiten zijn vrijgesteld van btw en, indien dat niet zo is, wat de juiste maatstaf van heffing is.


Deze onzekerheid heeft belangrijke financiële gevolgen. Als de vrijstelling niet van toepassing is, kunnen pensioenfondsen weliswaar btw op ingekochte diensten aftrekken, maar wordt de volledige pensioenpremie belast met btw. Dit kan leiden tot hogere kosten voor werkgevers, vooral in sectoren zonder of met beperkt aftrekrecht, zoals onderwijs, zorg en overheid. De Belastingdienst volgt voorlopig de lijn van het hof Amsterdam, waardoor pensioenfondsen momenteel geen btw over de premie hoeven te berekenen.


De AG stelt dat het niet duidelijk is of in de verhouding tussen werkgever, deelnemer en pensioenfonds sprake is van alle elementen die nodig zijn voor de verzekeringsvrijstelling, met name het element van de voorafgaande premiebetaling. Omdat hierover geen eenduidige Europese rechtspraak bestaat, acht de AG het noodzakelijk dat het Hof van Justitie hierover duidelijkheid geeft.


Voor het geval de vrijstelling niet van toepassing is, concludeert de AG dat de btw moet worden geheven over de volledige pensioenpremie en niet alleen over de opslag voor uitvoeringskosten. De Hoge Raad moet nog uitspraak doen.

Diversen

Kostentransparantie

De AFM pleit ervoor om de kosten per deelnemer op te nemen in het Uniform Pensioenoverzicht. Dat wil de AFM vanaf het UPO van 2027.


De rapporteur van de Financiële en Economische Commissie van het Europarlement heeft een conceptrapport geschreven over het voorstel tot aanpassing van de IORP II richtlijn. In dat concept staat in een amendement dat er voorschriften moeten worden gegeven over het opnemen van informatie over kosten. De voorschriften gelden zowel voor alle kosten bij elkaar, als voor een percentage van de bijdrage op het persoonlijk pensioenoverzicht.

Macro-economisch toezicht

Op 5 mei 2026 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) hoofdlijnen voor beleidsvoorstellen gepubliceerd om het macroprudentiële toezicht op de sector voor niet- bancaire financiële intermediates (NBFI) te versterken. Pensioenfondsen behoren daartoe. De voorstellen moeten een beter zicht geven op risico’s voor de financiële stabiliteit en deze risico’s effectiever aanpakken.


Het gaat daarbij om testen, dataverschaffing en de governance daaromheen om macro-economische systeemrisico’s snel te kunnen onderkennen en beheersen.

AOW-hervorming in de ijskast

Minister Vijlbrief schreef in zijn brief van 26 mei 2026 aan de FNV dat het kabinet het wetsvoorstel intrekt om de stijging van de AOW-leeftijd één op één te koppelen aan de stijging van de levensverwachting. Het kabinet gaat wel graag het gesprek aan met de sociale partners over de toekomst van de oudedagsvoorziening, om te kijken welke alternatieven er mogelijk zijn.

Verzamelbrief pensioenonderwerpen mei 2026

In de brief van die datum 26 mei 2026 gaat Minister Vijlbrief van SZW in op een aantal vragen van de Tweede Kamer:

  • Op de vraag in de motie van Kamerlid Van Brenk (50Plus) naar de financiering van het Nederlandse pensioenstelsel in vergelijking met andere landen schetst de Minister de financiering en nut van de AOW en het tweede pijler pensioen. Hij wijst er daarbij op dat de pensioenen van Nederlandse pensioengerechtigden tot de hoogste in Europa behoren.
  • Kamerlid Van Brenk had ook een motie ingebracht over indexatie-afspraken tussen pensioendeelnemers en werkgevers die hun pensioen in België hebben ondergebracht. De Minister laat weten dat uit het overleg van DNB over de motie het volgende naar voren is gekomen:
    • De buitenlandse pensioenuitvoerder staat onder prudentieel toezicht van de buitenlandse toezichthouder,
    • Op de Nederlandse pensioenregeling is Nederlands arbeids- en sociaalrecht van toepassing, waarop DNB en de AFM toezicht houden. Daaronder vallen ook de regels voor toeslagverlening. Deelnemers mogen op grond daarvan een andere toeslag ontvangen dan gepensioneerden en gewezen deelnemers.
    • De Nederlandse werkgever moet voor overgang op de Wet toekomst pensioenen de nieuwe pensioenovereenkomst en het transitieplan indienen bij het buitenlandse pensioenfonds. Dat pensioenfonds hoeft geen implementatie- en communicatieplan in te dienen bij de Nederlandse toezichthouders.
  • In de motie van Kamerlid Van Brenk werd de regering gevraagd enkele verantwoord samengestelde (uniforme) kengetallen te ontwikkelen in samenspraak met de pensioensector. Die kengetallen maken het voor deelnemers mogelijk om pensioenuitvoerders te beoordelen op de kosten van uitvoering. De minister antwoordde hierop dat zijn ministerie met de pensioensector hierover heeft gesproken, en heeft geconcludeerd dat er passende kengetallen beschikbaar zijn. Aan de hand van die kengetallen kunnen deelnemers en andere stakeholders hun pensioenuitvoerder(s) beoordelen op de kosten van uitvoering. Die uitvoeringskosten omvatten de pensioenbeheerkosten (uitgedrukt in een totaalbedrag en in een bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde), de vermogensbeheerkosten en de transactiekosten (beiden uitgedrukt in een totaalbedrag en in een percentage van het gemiddeld belegde vermogen).
  • De Minister verwacht de Tweede Kamer in de eerste helft van 2027 te informeren over de bevindingen uit het onderzoek naar hoe ten eerste de governance binnen pensioenfondsen is vormgegeven. Ten tweede op welke wijze invulling wordt gegeven aan evenwichtige besluitvorming. En ten derde in hoeverre de vertegenwoordiging door de belanghebbenden in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen.
  • Uit de laatste meting van de Publieksmonitor Pensioenen blijkt dat het vertrouwen van Nederlanders in het pensioenstelsel neutraal is.
  • Pensioenuitvoerders staan overwegend positief tegenover het bieden van experimenteerruimte om pensioenopbouw onder zelfstandigen in de tweede pijler te stimuleren, Maar de pensioenfondsen vinden dat de wijze waarop de experimenteerbepaling is vormgegeven, onvoldoende ruimte biedt. De Minister zal in de komende periode met pensioenuitvoerders en sociale partners bespreken in hoeverre het structureel maken van deze experimenteerbepaling opportuun is.
  • De derde nota van wijziging van het voorstel voor de Wet verdeling pensioenen bij scheiding zal naar verwachting begin 2027 ter internetconsultatie worden aangeboden. Die nota zal drie onderdelen bevatten:
    • wetstechnische aanpassingen vanwege de Wtp,
    • overige aanpassingen vanwege de Wtp en
    • overbruggingsmaatregelen voor echtscheidingen onder bestaande wetgeving (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding), zoals het inzichtelijk maken van pensioenbedragen van gescheiden partners op mijnpensioenoverzicht.nl (MPO). Het ministerie zal vooraf onderzoeken of het verdelen van het ouderdomspensioen en partnerpensioen vanaf pensioendatum mogelijk gemaakt kan worden voor ex-samenwoners op grond van het wetsvoorstel.
  • De Europese Commissie vindt dat Nederland een ongerechtvaardigde belemmering heeft geïntroduceerd voor het recht van vrijheid van vestiging met de eis dat een pensioenfonds een stichting moet zijn. Om deze belemmering weg te nemen is een wetsvoorstel in voorbereiding waardoor de stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat met een governancesysteem de afbakening van taken en de controle te waarborgen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden, zodat hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de governance van een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder.

Jaarverslag Geschillen Instantie Pensioenfondsen

In het jaarverslag van de Geschillen Instantie Pensioenfondsen (GIP) staat dat zij in haar tweede jaar 461 geschillen heeft behandeld en 589 informatieverzoeken heeft ontvangen. Het aantal geschillen bedraagt daarmee veel minder dan de 800 geschillen die werden verwacht. De belangrijkste verklaring daarvoor is volgens GIP het uitblijven van Wtp-gerelateerde geschillen.


Van de ingediende geschillen heeft GIP 74% in behandeling genomen. 26% van de geschillen konden niet behandeld worden doordat bijvoorbeeld de interne klachtenprocedure bij het pensioenfonds niet of niet volledig was doorlopen. 20% van de indieners laat zich bijstaan.


In 67% van de gevallen stonden pensioenfondsen open voor bemiddeling. In 13% van de gevallen werd een geschil ingetrokken door de indiener en 31% van de gevallen werd niet opgelost. Hier staat tegenover dat 15% van de gevallen succesvol werd afgerond na actieve bemiddeling met onder meer een bemiddelingsgesprek. 41% van de gevallen werd succesvol afgerond in het voortraject door het stellen van vragen. Geschillen werden daarmee in meer dan 50% van de gevallen succesvol afgerond.


De geschillencommissie deed uitspraak in meer dan dertig zaken. In 2024 deed de geschillencommissie nog in acht zaken een uitspraak. Indien een uitspraak voor beslechting werd voorgelegd aan de geschillencommissie, dan werd in 70% van de gevallen door de indiener gekozen voor een bindende uitspraak. 30% van de indieners kiest direct voor beslechting. De overige 70% van de indieners kiest eerst voor bemiddeling.


Een gemiddeld bemiddelingstraject duurde 298 kalenderdagen. Indien direct gekozen werd voor beslechting, bedroeg de gemiddelde doorlooptijd 244 kalender dagen. Daarentegen bedroeg de gemiddelde doorlooptijd 449 dagen in de gevalle n waarin eerst gekozen werd voor bemiddeling en daarna pas beslechting.


Tot slot geeft 52% van de pensioenfondsen aan zeer open te staan voor suggesties vanuit GIP naar aanleiding van de klachtenafhandeling. 35% staat ‘waarschijnlijk’ open en 12% staat ‘wellicht’ open. Slechts 1% geeft aan niet open te staan voor suggesties vanuit GIP.

2026-06-25 13:45:31
  • Cover
  • Voorwoord
  • Bedrag ineens
  • Ontwikkelingen Wet toekomst pensioenen
  • Kort nieuws
  • Kom met ons in contact
  • Colofon
2026-06-26 00:00:00