Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen
In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen in de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel.
Lees verder
Voorstel Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen ingediend.
Na de consultatie van 1 juni 2024 tot 26 juli 2024 is op 2 juni 2026 het voorstel voor de ‘Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen’ bij de Tweede Kamer ingediend. In Pensioenitems 2024 nr. 3 beschreven wij de inhoud van de consultatieversie. Samengevat wordt hierin het volgende geregeld:
- Eerbiediging van opgebouwd wezenpensioen na invaren;
- De wettelijke definitie van ‘kind’, ‘pleegkind’ en ‘stiefkind’;
- Dat aanpassingen van uitkeringen op grond van resultaten geen invloed hebben op de toets of een hoog/laag pensioen binnen de bandbreedte van 100:75 blijft;
- De mogelijkheid van gelijke aanpassing van variabele uitkeringen met een vaste daling of stijging bij flexibele premieregelingen, in plaats van dakpansgewijze aanpassing. Variabele pensioenen die later ingaan kunnen in hoogte worden aangepast met een aangepaste variatie per de ingangsdatum, om gelijke aanpassing te realiseren;
- Een premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid bij een gesloten pensioenfonds is mogelijk als die voortzetting is aangevangen voor het moment van beëindiging van de pensioenregeling, indien niet wordt ingevaren. Dat kan ook na collectieve waardeoverdracht.
De wijzigingen zullen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023 in werking treden.
Verder regelt het wetsvoorstel:
- De mogelijkheid van uitruil ouderdomspensioen, en van partnerpensioen vanaf de pensioendatum, in risico wezenpensioen en of risico partnerpensioen;
- De verplichte voortgezette dekking risico wezenpensioen na einde deelname;
- Dat de partner moet tekenen voor uitruil van kapitaal voor ouderdoms- en partnerpensioen in risico partnerpensioen. Dat moet de partner niet in geval van een kapitaal dat slechts voor ouderdomspensioen is bestemd;
- Bij de uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen op risicobasis kan het ingevaren opgebouwde partnerpensioen van voor de transitie buiten beschouwing blijven;
- De uitsluiting van aanverwanten in de eerste en tweede graad in de rechte lijn bij een gezamenlijke huishouding;
- Als compensatie ook wordt gegeven aan degenen die zelfstandig voortzetten, moet die op dezelfde wijze gegeven worden als voor werknemers;
- Dat een overbruggingsplan niet kan worden ingediend als niet tijdig een implementatieplan is ingediend;
- Dat de laatste toevoeging aan de collectieve uitvoering bij een flexibele premieregeling kan plaatsvinden met een niet-tijdsevenredig deel.
Concept Besluit toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen
In dit besluit staan nadere voorschriften voor de gelijke aanpassing van variabele uitkeringen uit flexibele premieregelingen en de communicatie daarover. Met de informatievoorziening moet vijf jaar voor de pensioendatum worden begonnen. Daarnaast wordt informatie voorgeschreven bij pensionering en jaarlijks tijdens de uitkering.
Verder bevat het besluit communicatievoorschriften voor de gelijke aanpassing van variabele uitkeringen uit solidaire premieregelingen. Daarbij is opgenomen dat, zodra een variabel nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd, de fiscale grenzen voor partner- en wezenpensioen van 40% en 20% van het pensioengevend salaris overschreden mogen worden.
Het besluit bevat daarnaast communicatievoorschriften over:
- de verplichte uitloopdekking van het risiconabestaandenpensioen bij einde deelneming;
- de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de dekking van het risiconabestaandenpensioen (ook wel uitruil van kapitaal of vermogen voor ouderdoms- en of partnerpensioen voor risiconabestaandenpensioen); en
- de jaarlijkse informatieverstrekking bij deze vrijwillige voortzetting en de gevolgen daarvan.
Koopkracht in het nieuwe pensioenstelsel
Minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) komt in zijn brief van 20 mei 2026 de belofte na om een kwantitatieve analyse te maken van de gevolgen van toegevoegde koopkrachtinstrumenten. DNB heeft die analyse gemaakt. De minister geeft aan dat er voor de koopkracht van gepensioneerden geen sprake is van een ‘free lunch’. Tegenover koopkracht staan altijd kosten of risico’s, zoals herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw van het pensioen.
Vier alternatieve varianten:
1. Reëel beschermingsrendement
Deze variant gebruikt een reële rentetermijnstructuur in combinatie met een collectieve uitkeringsfase om zowel het projectierendement als het beschermingsrendement te bepalen. Deze variant bevat geen solidariteitsreserve.
2. Feitelijke inflatie spreidingsvermogen
Deze variant bestaat uit een collectieve uitkeringsfase waar het projectierendement is gebaseerd op de verwachte inflatie. Vervolgens wordt rendement toebedeeld om een reële constante uitkering te verkrijgen. Deze variant gebruikt hierdoor het spreidingsvermogen om het inflatierisico af te dekken. Wanneer het spreidingsvermogen de bovengrens (ondergrens) passeert wordt de reële uitkering verhoogd (verlaagd). Deze variant bevat geen solidariteitsreserve.
3. Reële solidariteitsreserve
Deze variant gebruikt de solidariteitsreserve om uitkeringen reëel op peil te houden door deze jaarlijks aan te vullen wanneer anders koopkrachtverlies dreigt. De solidariteitsreserve kan daarmee worden ingezet om te compenseren voor zowel verwachte als onverwachte inflatie.
4. Meer beleggingsrisico door meer risicodeling
Deze variant gebruikt de solidariteitsreserve om het overrendement voor gepensioneerden op peil te houden wanneer deze lager is dan de inflatie. Het overrendement van gepensioneerden dat boven de gerealiseerde inflatie is, vloeit richting de solidariteitsreserve. Wanneer de solidariteitsreserve boven de bovengrens komt, wordt het overschot uitgekeerd aan actieven. Onder de ondergrens kan de koopkracht van gepensioneerden niet op peil worden gehouden. Ook wordt het beleggingsbeleid voor de groep gepensioneerden aangepast zodat in de mediaan het overrendement gelijk is aan de inflatie.
Conclusies
Uit de analyse kunnen vier conclusies worden getrokken:
- De nieuwe premieovereenkomsten bieden meer perspectief op een koopkrachtig pensioen dan de pensioenvarianten uit het oude stelsel, met name door de mogelijkheden van de solidariteitsreserve.
- De extra varianten die zijn voorgesteld, hebben elk hun voor- en nadelen. Er is daarom geen eenduidige voorkeur voor een specifieke variant. Dat geldt ook voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid van de diverse varianten. Geen van de voorgestelde varianten is duidelijk beter dan een andere variant, of is beter dan het huidige instrumentarium onder de Wtp.
- Meer inflatiebescherming zonder extra premie-inleg kan alleen bereikt worden door:
- meer beleggingsrisico
- een lagere startuitkering
- spreiding van vermogen door de tijd
- of meer ex-ante herverdeling met andere generaties binnen het fonds ten opzichte van het huidige instrumentarium. Hierbij heeft een grotere ex-ante herverdeling met andere generaties het risico van hernieuwde generatie discussies.
- De uitkomsten van de analyses voor de verschillende varianten zijn afhankelijk van hun verdere invulling. Er zijn immers veel aanpassingen binnen de varianten mogelijk die andere uitkomsten tot gevolg zullen hebben en/ of effecten kunnen beïnvloeden. Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen). Mogelijke aanpassingen binnen de varianten zullen altijd getoetst moeten worden op hun uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk.
Vervolg
De Pensioenfederatie coördineert het onderzoek van de pensioensector naar de uitwerking van de varianten. Begin volgend jaar zal het ministerie de Tweede Kamer informeren over de voortgang van het onderzoek.
Wet herziening bedrag ineens
De Eerste Kamer heeft op dinsdag 16 juni 2026 over het voorstel voor de Wet herziening bedrag ineens in meerderheid voor gestemd. Bij de behandeling op 9 juni had minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal toezeggingen gedaan.
- Het onderdeel ‘bedrag ineens’ uit de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen zal op 1 janjuari 2029 van kracht worden.
- Het prototype van het Nibudtool zal in de Tweede Kamer worden gedemonstreerd. Hiermee wordt vrij helder wat de bruto- en netto-effecten zijn voor de keuze om een bedrag ineens te laten uitkeren.
- De wet wordt na twee jaar en daarna na drie jaar geëvalueerd. Daarbij wordt beoordeeld of de Nibudtool werkt zoals verwacht werd.
stiefkind:
het eigen kind van de partner van de werknemer of gewezen werknemer, dat:
- staat ingeschreven op hetzelfde adres als de werknemer of gewezen werknemer;
- stond ingeschreven op hetzelfde adres als de werknemer of gewezen werknemer en direct aansluitend aan de uitschrijving tijdelijk elders verblijft gedurende maximaal zes maanden;
- op grond van een ouderschapsplan, overeenkomst of rechterlijke beschikking ten minste gedurende 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van de werknemer of gewezen werknemer; of
- voor wie de werknemer, gewezen werknemer of de partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag per kalenderkwartaal dat minimaal gelijk is aan het krachtens artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, vastgestelde bedrag.’
Q&A’s: techniek transitie-effecten
Hieruit vermelden we de volgende vragen en antwoorden.
- Welke beleidsaannames hanteert een pensioenuitvoerder bij het berekenen van transitie-effecten?
Voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon kan een pensioenfonds afwijken van het beleid in de actuariële en bedrijfstechnische nota of de opdrachtbevestiging, als dit leidt tot een realistischere invulling op langere termijn. In plaats van incomplete beleidsonderdelen worden realistische aannames gehanteerd. - Mag er voor het inzicht in transitie-effecten gebruik worden gemaakt van maatmensen?
Dat mag volgens DNB, als die maatmensen qua kenmerken passen bij het werkelijke deelnemersbestand. - Wordt bij het doorrekenen van de transitie-effecten bij de bepaling van netto-profijt en pensioenverwachtingen de systematiek van mapping toegepast op basis van de beleggingsportefeuille van de pensioenuitvoerder?
Dat mag om aan te kunnen sluiten bij de beleggingscategorieën in de scenariosets die beschikbaar zijn voor de berekening van transitie-effecten. - Gaat een pensioenuitvoerder in de berekening van transitie-effecten uit van statuswijziging?
Voor een zo realistisch mogelijke projectieberekening gaat een pensioenfonds volgens DNB ook uit van een realistische demografische ontwikkeling op collectief niveau. - Houdt de pensioenuitvoerder bij de berekening van transitie-effecten rekening met een stijgende pensioen(richt)leeftijd?
Dat doet een pensioenfonds niet volgens DNB, tenzij een gewijzigde pensioenrichtleeftijd al een concreet onderdeel is van het beleid. - Worden de solidariteits- en risicodelingsreserve bij de bepaling van transitie-effecten gemodelleerd?
Ja. DNB antwoordt hierop dat de vul- en uitdeelregels van de solidariteits- en risicodelingsreserve gemodelleerd worden in de berekening van de transitie-effecten netto profijt en de pensioenverwachting in scenario’s. - Gaat een pensioenuitvoerder bij de berekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die passend is voor de weergave van de effecten?
Ja. Een pensioenfonds gaat volgens DNB in de doorrekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die zodanig is dat het volledige transitie-effect in de tijd wordt meegenomen.
Q&A over de onderbouwing van de hoogte van compensatie
Bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een compensatieregeling moet een pensioenfonds twee zaken nagaan:
- Hoe het nadeel van gemiste toekomstige opbouw wordt bepaald.
DNB geeft twee voorbeelden van de modelberekening hiervoor:
- een stochastische berekening van het netto profijt van de pensioenopbouw in oude en in de nieuwe pensioenovereenkomst
- een benadering van de netto contante waarde van de toekomstige premies en/of toekomstige pensioenopbouw met en zonder doorsneesystematiek via een deterministische berekening met de rentetermijnstructuur.
- In hoeverre verschillende groepen worden gecompenseerd voor de gemiste pensioenopbouw ten gevolge van afschaffing van de doorsneesystematiek. Een groep die een ander voordeel uit de overgang krijgt kan minder gecompenseerd worden.
Q&A onderbouwing en afwijking van de default spreidingstermijn bij de standaardregel
Een pensioenfonds mag afwijken van de standaard spreidingstermijn van 10 jaar. Daarvoor moet het een gedegen onderbouwing geven. Een langere termijn is toegestaan bij een vermogen van meer dan 100% van de technische voorziening. De onderbouwing bevat in ieder geval:
- de bestandssamenstelling; de mate van vergrijzing is dan van belang
- waarom de spreidingstermijn van 10 jaar tot een onevenwichtiger nadeel leidt. Aan de hand van de transitiemaatstaven voor beide termijnen, kan het pensioenfonds tonen of met de afwijkende spreidingstermijn:
- de doelstellingen wel worden behaald,
- een of meer doelstellingen sterker worden of worden behaald.
Het gaat dan om de gevolgen voor alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.