Kort nieuws

In deze rubriek bespreken we de meest opvallende zaken
die momenteel spelen rondom pensioenen


Wet- en regelgeving

Rechtspraak

en toezicht

Diversen

Wet- en regelgeving

Voorontwerp Wet overgang van onderneming in faillissement
Het voorontwerp lag tot 1 september 2024 ter consultatie voor. Op 11 juli 2025 is de ministerraad akkoord gegaan met de inhoud van het wetsvoorstel. Dat is ter advies voorgelegd aan de Raad van State. Hierin wordt geregeld dat bij overgang in faillissement nagenoeg dezelfde regels gelden. Voor bedrijven met minder dan 20 werknemers die in faillissement over gaan, zal daarvan weer op onderdelen worden afgeweken.


Nu regelt artikel 664 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dat bij overgang van een onderneming buiten faillissement de pensioenregeling die de werknemers van de overgenomen onderneming hebben niet over gaat als

  • de overnemende werkgever de werknemers die overgaan dezelfde pensioenregeling heeft aangeboden als zijn werknemers
  • voor de overnemende onderneming een verplicht bedrijfstakpensioen geldt
  • in de CAO of wettelijke regeling de pensioenovereenkomst is aangepast.

Die bepaling wordt dan ook van toepassing bij een overgang van een onderneming in geval van faillissement.
In de rechtspraak is al bepaald dat bij prepack de arbeidsvoorwaarden overgaan
(zie Pensioenitems 2022 nr 1).
Dit staat los van het al dan niet overgaan van niet betaalde verschuldigde premies bij prepack.

Toets aan de Grondwet?
Tot 28 augustus 2025 ligt de aanpassing ter consultatie voor op grond waarvan een rechter wetgeving aan de Grondwet mag toetsen. Het gaat dan om toetsing aan de zogenaamde klassieke grondrechten, zoals gelijke behandeling van gelijke gevallen, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, het recht op vereniging, het recht op betoging, vrije keuze van arbeid.
Ook is de mogelijkheid van beperking van een grondrecht opgenomen. Die moet in redelijke verhouding tot het doel staan en niet verder gaan dan het doel vereist.
Nadat het voorstel is ingediend wordt het tweemaal behandeld door de Tweede en Eerste Kamer. Na de eerste behandeling dient ten minste twee derde van een nieuwe Tweede Kamer en ten minste twee derde van de Eerste Kamer met de aanpassing akkoord te gaan.
Mocht dat wetgevingstraject succesvol zijn doorlopen, dan kan ook pensioenwetgeving door de rechter getoetst worden.


Consultatie Eindejaarsbesluit 2025
Tot 9 augustus 2025 lag het concept voor het Eindejaarbesluit 2025 voor ter consultatie. Hierin is geregeld dat als een werknemer in deeltijd overlijdt voor de pensioendatum, de hoogte van het partner- en het wezenpensioen wordt bepaald door het laatstgenoten pensioengevend loon van die werkgever voor overlijden, verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

Daarnaast is geregeld dat bij deeltijdwerken in de laatste tien jaar voor de pensioendatum met de deeltijdfactor geen rekening hoeft te worden gehouden, mits door (de toename van) het deeltijdwerk tenminste 50% van de werktijd voorafgaand aan (de toename van) het deeltijdwerk wordt gewerkt.
De wijzigingen werken terug tot 1 juli 2023.

De technische aanpassingen zijn nodig, omdat voor pensioenregelingen van voor 1 juli 2023 diensttijd in aanmerking werd genomen bij de bepaling van het partner- en het wezenpensioen, waarbij de diensttijd met de deeltijdfactor diende te worden vermenigvuldigd.


Verduidelijking adagium ‘geen premie, wel recht’

Bij schijnzelfstandigheid dient getoetst te worden of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst, wordt de schijnzelfstandige als werknemer gekwalificeerd. Op grond van het beginsel ‘geen premie, wel recht’ worden door een werknemer pensioenaanspraken opgebouwd op grond van het pensioenreglement, ook indien hiervoor geen premies zijn afgedragen aan het pensioenfonds.
Slechts als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid kan een uitzondering op ‘geen premie, wel recht’ zijn gerechtvaardigt.


Schijnzelfstandigheid; mogelijk bijzondere omstandigheid

In de Kamerbrief van 9 juli 2025 geeft minister van Hijum (SZW) aan dat het wenselijk is om de reikwijdte van ‘geen premie, wel recht’ in relatie tot schijnzelfstandigheid te verduidelijken.


In de MvT (Memorie van Toelichting) van het wetsvoorstel Vbar (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties) wordt toegelicht dat ‘geen premie, wel recht’ niet van toepassing zou kunnen zijn indien de schijnzelfstandige zelf de keuze heeft gemaakt om, in weerwil van het arbeidsrecht, als zelfstandige het werk te verrichten. In dat geval heeft de schijnzelfstandige namelijk een duidelijke eigen rol in het niet betalen van de pensioenpremie. Dit geldt volgens de minister des te meer wanneer deze schijnzelfstandige zich pas kenbaar maakt bij het pensioenfonds op een moment dat het verhalen van premie op de werkgever door verjaring onmogelijk is geworden.

Uitzondering in pensioenreglement
In de MvT is opgenomen dat het voor de hand ligt dat pensioenfondsen een dergelijke uitzonderingssituatie in hun pensioenreglement tot uitdrukking brengen. De Landsadvocaat is van mening dat dergelijke beperkende bepalingen in pensioenreglementen houdbaar zijn indien de schijnzelfstandige zich ervan bewust was, of in ieder geval had moeten zijn, dat hij of zij zelf voor het pensioen moest zorgen.


Met de passage in de MvT wordt volgens de minister aan pensioenfondsen en rechters extra handvatten geboden om een aanvraag te beoordelen van een schijnzelfstandige voor pensioen met een beroep op ‘geen premie, wel recht’.


Fiscale verzamelwet 2026

Op 24 april 2025 is de Fiscale verzamelwet 2026 ingediend. Die is op dit moment in behandeling bij de Tweede Kamer. Met een nota van wijziging wordt een aantal (technische) pensioenzaken geregeld.


Wettelijk kader

Sinds de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) op 1 juli 2023 is de eindleeftijd voor het wezenpensioen gewijzigd in 25 jaar.


Aanleiding
Pensioenuitvoerders hebben aangegeven dat de uitkering van het wezenpensioen tot uiterlijk de dag waarop het kind 25 jaar wordt, moeilijk uitvoerbaar is. In dit geval zou namelijk gewerkt moeten worden met een pro-rata-uitkering, wat hogere uitvoeringskosten tot gevolg heeft. De administratiesystemen van pensioenuitvoerders zijn immers zodanig ingericht dat de uitkering stopt na de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 25 jaar bereikt.


Voorgestelde wijziging
Het kabinet stelt daarom voor te regelen dat het wezenpensioen kan worden uitgekeerd tot en met de maand waarin het kind 25 jaar wordt.


Voorgesteld wordt om aan de bepaling in de Wet Loonbelasting 1964 terugwerkende kracht te geven tot en met 1 juli 2023. Hierdoor is de fiscale verruiming ook van toepassing op wezenpensioenen voor kinderen die voor de inwerkingtreding van de fiscale verzamelwet 25 jaar zijn geworden.


Daarentegen wordt aan de maatregelen in de Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling geen terugwerkende kracht gegeven. Hiermee wordt voorkomen dat pensioenreglementen en de communicatie over de uitkeringen van wezenpensioen met terugwerkende kracht aangepast dienen te worden.

Rechtspraak en toezicht

Stopzetten indexatie en schadevergoeding

Op 27 juni 2025 wees de Kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant vonnis in de volgende zaak (ECLI:NL:RBOBR:2025:3727).
Een werkgever had een pensioenregeling ondergebracht bij een levensverzekeraar. De indexatie van de pensioenen was voorwaardelijk en afhankelijk van een indexatiedepot. Voor deze pensioenregeling had de werkgever een vrijstelling van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds.
De werkgever beëindigde de uitvoeringsovereenkomst met de verzekeraar en sloot zich aan bij het bedrijfstakpensioenfonds. De opgebouwde pensioenen bleven achter bij de verzekeraar, maar omdat het indexatiedepot leeg was, werden die pensioenen niet meer geïndexeerd.
Twee pensioengerechtigden met pensioen bij de verzekeraar vorderden indexatie van hun pensioenen op grond van de vrijstelling, dan wel een compensatie op basis van nawerkend goed werkgeverschap.

De kantonrechter bepaalde dat uit het Vrijstellingsbesluit niet volgt dat na de vrijstellingsperiode een werkgever de indexatie van het bedrijfstakpensioenfonds moet volgen om zijn pensioenregeling gelijkwaardig te houden. De kantonrechter oordeelde wel dat de werkgever zich niet als goed werkgever had gedragen door de indexatieregeling stop te zetten, zonder een passende regeling hiervoor te treffen. De grond hiervoor was dat de in procedure niet is gesteld of gebleken dat niet van de werkgever kon worden gevergd dat de werkgever een passende regeling realiseerde om de 2 gepensioneerden te compenseren voor de ontneming van hun indexatieperspectief.


Gelijkwaardig is niet gelijk, of 95%
Een werkgever was niet aangesloten bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. Hij had met het besluit van een bedrijfstakpensioenfonds van 1 augustus 2022 met terugwerkende kracht van 16 december 2010 tot 1 januari 2022 een vrijstelling gekregen van deelname van zijn werknemers aan het bedrijfstakpensioenfonds, op grond van een eigen pensioenregeling. De werkgever diende zijn pensioenregeling gelijkwaardig te maken. Hij diende een extra koopsom te storten bij de levensverzekeraar die zijn pensioenregeling, een beschikbare premieregeling uitvoerde. Dat deed de werkgever te laat.


Daarna stelde een werknemer vast dat zijn pensioen veel lager was dan wanneer hij had deelgenomen in het bedrijfstakpensioenfonds. De werknemer verlangde onder andere een pensioen dat ten minste 95% bedroeg van wat hij van het bedrijfstakpensioen zou hebben gekregen. Hij beriep zich daarbij op het vrijstellingsbesluit en de daarvoor berekende uitkeringsstromen.

Kantonrechter
Op 16 juli 2025 wees de rechtbank Midden-Nederland, sectie kanton, de vordering af (ECLI:NL:RBMNE:2025:3432). De werknemer had bezwaar kunnen maken tegen het vrijstellingsbesluit, maar de werknemer heeft dat niet gedaan waardoor dat besluit rechtsgeldig is.

De voorwaarde voor de vrijstelling is dat de pensioenen uit de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijkwaardig dienen te zijn aan die uit de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Daarvan was sprake als de uitkeringsstromen van de regeling van de werkgever ten minste 95% bedroegen van de uitkeringsstromen uit de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Deze voorwaarde van gelijkwaardigheid hield geen opdracht in dat de pensioenen uit de regeling van de werkgever gelijk moesten zijn aan die van het bedrijfstakpensioenfonds, of tenminste 95% moesten zijn.

Verbeterpunten voor communicatieplannen en transitiecommunicatie

De AFM constateert dat de reeds ontvangen communicatieplannen over het algemeen voldoen aan de wettelijke vereisten. Er zijn echter een aantal verbeterpunten geconstateerd:

  • er dient meer aandacht te worden besteed aan de wijze waarop wordt gecommuniceerd bij onvoorziene omstandigheden, zoals bij een daling van de dekkingsgraad onder het vereiste minimum om de gestelde ambitie te bereiken;
  • er dient eerlijk en transparant gecommuniceerd te worden dat pensioenuitkeringen kunnen dalen bij langdurige economische tegenwind (ondanks solidariteitsreserves en spreidingsmechanismen om schokken te kunnen opvangen) om realistische verwachtingen te scheppen;
  • transitieoverzichten dienen geen zoekplaatjes te worden en moeten helder en persoonlijk zijn;
  • conditionele tekstblokken in transitieoverzichten moeten persoonlijke toelichtingen bevatten op scenariobedragen die verder gaan dan alleen leeftijd als criterium.

Verder worden pensioenuitvoerders opgeroepen om in de communicatie naar gepensioneerden expliciet in te gaan op het verwachte koopkrachtbehoud. Een nominaal stabiele pensioenuitkering kan namelijk door inflatie (over de jaren) in reële termen dalen. Hierdoor verliezen gepensioneerden ieder jaar een beetje koopkracht, wat kan leiden tot verkeerde verwachtingen onder deelnemers en gepensioneerden.


Er is inmiddels door de AFM een webpagina over transitieoverzichten opgesteld. Deze webpagina bevat handvatten voor deelnemerscommunicatie over de overgang naar een nieuwe pensioenregeling.


Informatievoorziening nabestaandenpensioen

Sinds de inwerkingtreding van de Wtp is het partnerpensioen voor overlijden verzekerd op risicobasis, waarbij de uitkering meestal een vast percentage van het salaris is. De AFM is een verkennend onderzoek gestart naar de risico’s voor deelnemers met het nieuwe nabestaandenpensioen. Onderzocht wordt hoe pensioenuitvoerders deelnemers voorzien van informatie over het nieuwe nabestaandenpensioen. Goede informatieverstrekking is van belang; ruim 60% van de deelnemers met een partner en/of kinderen is namelijk op zoek naar informatie rondom hun nabestaandenpensioen.


Grote verschillen partnerpensioen

Hoewel het stelsel uniformer is geworden, bestaan er nog steeds grote verschillen tussen pensioenregelingen. Zo kan het percentage voor risicodekking sterk variëren (van bijna 0 tot 50%), kunnen er verschillende grondslagen gehanteerd worden voor de uitkeringshoogte (laatstgenoten loon of gemiddeld loon) en kan er sprake kan zijn van een (vrijwillige) franchise of een vast bedrag in euro’s.


Bij risicodekking vervalt daarnaast het recht op partnerpensioen drie tot zes maanden (uitloopdekking) nadat de deelnemer uit dienst gaat. De gewezen deelnemer moet er tijdig op gewezen worden dat het partnerpensioen na de uitloopdekking vrijwillig voortgezet kan worden.


Verder kunnen onrealistische verwachtingen rond overlijden tot risico’s leiden. Overlijden vlak vóór of vlak ná de pensioendatum en/of de transitiedatum kan leiden tot grote verschillen in uitkering. Deelnemers dienen zodanig geïnformeerd te worden dat zij beschikken over zo realistisch mogelijke verwachtingen.


Diversen

Geen terugvordering foute WIA-uitkeringen
Minister Van Hijum (SZW) heeft besloten niet te gaan terugvorderen in het geval er door UWV fouten zijn gemaakt in de WIA-dagloonvaststelling voor uitkeringen tussen 2020 en 2024. Dat geldt ook voor WIA- uitkeringen die in die periode zijn beëindigd.


Vergunning derdelanders

Personen van buiten Europa met een werk- en verblijfsvergunning van een andere Europese lidstaat mogen in Nederland werken. Ook nadat ze kort in de andere lidstaat zijn en soms voor ander werk dan waarvoor de werkvergunning is afgegeven. Minister Van Hijum (SZW) wil regelen dat die personen langer in de andere lidstaat verblijven voordat ze in Nederland mogen werken, en dat ze in Nederland slechts werk verrichten waarvoor de andere lidstaat de vergunning heeft afgegeven. Het gaat om een verduidelijking van regels die werkgevers moeten naleven en waarop de Nederlandse Arbeidsinspectie de naleving beter kan controleren.


Duurzaamheidsrisico’s

De Nederlandsche Bank geeft pensioenfondsen tot 1 september 2025 de tijd om een analyse uit te voeren op duurzaamheidsrisico’s, als zij dat nog niet gedaan hebben. DNB adviseert om de volgende aannames expliciet te maken en tegen het licht te houden:

  • brede spreiding biedt afdoende bescherming tegen duurzaamheidsrisico’s;
  • duurzaamheidsrisico’s manifesteren zich pas op de lange termijn;
  • financiële markten prijzen duurzaamheidsrisico’s al volledig in;
  • passief beleggen is onverenigbaar met het meenemen van ESG-risico’s.


Jaarverslag Geschillen Instantie Pensioenfondsen
De Geschillen Instantie Pensioenfondsen (GIP) heeft haar eerste jaarverslag gepubliceerd. In 2024 heeft GIP 471 geschillen behandeld. Dat kwam ongeveer overeen met de inschatting van 500. Van de indieners geeft 71% aan weinig tot zeer weinig moeite te hebben gehad met het indienen van het geschil. De duidelijkheid van de website van GIP werd met een 7,5 beoordeeld. Van de ingediende geschillen heeft GIP 86% in behandeling genomen. 14% kon niet in behandeling worden genomen, bijvoorbeeld omdat de procedure bij het pensioenfonds nog niet was doorlopen, of omdat het buiten het mandaat van GIP viel. 20% van de indieners laat zich bijstaan.

22% van de gevallen waarin de indiener voor bemiddeling heeft gekozen, leidt tot een oplossing. 21% daarvan echter niet. 68% daarvan werden als geschil voorgelegd aan de geschillencommissie.
In 57 gevallen koos de indiener voor beslechting door de geschillencommissie. 60% daarvan koos voor een bindend advies en 40% voor een niet-bindend advies. In 2024 heeft de geschillencommissie 8 uitspraken gedaan. Eén geschil werd alsnog geschikt. 32 dossiers zijn doorgeschoven naar 2025. Bindende adviezen worden gepubliceerd. Niet-bindende adviezen publiceert GIP als beide partijen daarmee instemmen.

GIP verwacht in de tweede helft van dit jaar de eerste geschillen over de uitvoering van pensioenfondsen die hebben ingevaren.


 Vergunning derdelanders

Personen van buiten Europa met een werk- en verblijfsvergunning van een andere Europese lidstaat mogen in Nederland werken. Ook nadat ze kort in de andere lidstaat zijn en soms voor ander werk dan waarvoor de werkvergunning is afgegeven. Minister Van Hijum (SZW) wil regelen dat die personen langer in de andere lidstaat verblijven voordat ze in Nederland mogen werken, en dat ze in Nederland slechts werk verrichten waarvoor de andere lidstaat de vergunning heeft afgegeven. Het gaat om een verduidelijking van regels die werkgevers moeten naleven en waarop de Nederlandse Arbeidsinspectie de naleving beter kan controleren.

2025-08-28 15:06:49
  • AZL Pensioenitems nummer 4 juli | augustus 2025
  • Ontwikkelingen Wet toekomst pensioenen
  • Wijziging Vrijstellingsregeling en Vrijstellings- en boetebesluit
  • Antiwitwas verordening
  • Kort nieuws
  • Colofon
2025-08-28 00:00:00