Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen
In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen in de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel.
Lees verder
Good practice over de modellering van premiebeleid
DNB vindt het goed als een pensioenfonds de gevoeligheden van belangrijke aannames bij het premiebeleid onder het FTK inzichtelijk maakt. Bijvoorbeeld door de berekende transitie-effecten te vergelijken met de uitkomsten bij een alternatieve aanname.
Indien het pensioenfonds dit wenselijk vindt, kan het de aannames aanpassen, bijvoorbeeld door het invoeren van begrenzingen. Dat laatste kan door:
- het toepassen van een maximale premiedekkingsgraad en
- het definiëren van een dekkingsgraadniveau waarboven premieverlagingen realistisch worden geacht.
DNB vindt het een good practice om uit te gaan van de premiedekkingsgraden en dekkingsgraden die het pensioenfonds in achterliggende jaren heeft waargenomen, of sectorbrede gemiddelden die voor het pensioenfonds representatief zijn.
Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen
Minister van Hijum (SZW) concludeert in zijn brief van 2 juli 2025 bij de ‘Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2025’ dat het nieuwe pensioenstelsel een feit is, omdat de eerste vijf pensioenfondsen zijn overgegaan. Hij meldt daarbij dat het belangrijk is om het tempo erin te houden, om per 1 januari 2028 gereed te zijn. Omdat betere informatie voor deelnemers goed is voor hun vertrouwen in de overgang naar het nieuwe stelsel, zal de minister de volgende maatregelen gaan nemen:
- Pensioenfondsen verplichten op de website een kwalitatieve toelichting te geven waarom niet is afgezien van invaren.
- Pensioenuitvoerders zich te laten inspannen de getoonde transitie-informatie bijdraagt aan realistische verwachtingen bij de deelnemer.
- In samenspraak met de sector wil de minister goede voorbeelden delen, over de invulling van de informatievoorziening aan en dialoog met deelnemers.
De minister onderschrijft het advies van de regeringscommissaris Transitie Pensioenen, prof. dr. S.G. van der Lecq.
De minister laat de ontwikkeling van de pensioenpremies zien en constateert dat de premies in 2025 zijn gestegen ten opzichte van 2024, maar dat die bij de vijf grootste pensioenfondsen gelijk zijn gebleven.
Feitelijke premie (excl. VPL)
(Gedempte) kostendekkende premie
De Raad voor de Rechtspraak constateert weinig geschillen en rechtszaken en de Geschilleninstantie Pensioenfondsen heeft minder geschillen ontvangen dan verwacht.
Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) die TNO heeft uitgevoerd, blijkt dat 84% van de werknemers tevreden of heel tevreden is over de pensioenregeling.
Regeringscommissaris Transitie Pensioenen
Regeringscommissaris Van der Lecqconstateert dat meer pensioenfondsen verwachten over te stappen op 1 januari 2027 dan op 1 januari 2026. En ook dat er verschil is tussen uitvoerings- en IT-organisaties in hoeverre ze gereed zijn. Sommige pensioenfondsen hebben hun transitie uitgesteld omdat de uitvoerings- en/of IT-organisatie nog niet gereed was. Op 1 januari 2026 zullen bij al deze organisaties echter pensioenfondsen in transitie gaan. Pensioenfondsen vormen zelf een beter beeld in hoeverre de IT-organisatie gereed is, dan wanneer zij daarvoor afgaan op de uitvoeringsorganisatie.
De regeringscommissaris meldt dat pensioenfondsen in het algemeen tevreden zijn over hoe DNB de werkrelatie vormgeeft en beoordelingen van implementatieplannen uitvoert. Maar er zijn ook individuele gevallen waarin het beoordelingsproces niet soepel verloopt en de verhoudingen stroef zijn.
De AFM heeft nog steeds bevindingen, zoals bij de toelichtingen op de bedragen die aan deelnemers worden doorgegeven.
Volgens de regeringscommissaris verloopt de transitie in het algemeen goed. Er zijn wel geluiden om de transitietermijn weer te verlengen, maar die komen voornamelijk van buiten de pensioensector.
Vertrouwen algemeen publiek
Het ministerie van SZW meet geregeld het vertrouwen van het algemeen publiek in het pensioenstelsel en hoe hoog de bekendheid is met de wijzigingen van de regels. Uit de Publieksmonitor Pensioenen blijkt dat het vertrouwen het hoogst is sinds de eerste meting in het eerste kwartaal van 2022. Met name in de groep niet gepensioneerde 55-minners en financieel gemiddeld geletterde personen is het vertrouwen toegenomen. Mensen houden zich ook meer bezig met pensioen.
Koopkrachtbehoud en -ambitie
Minister Van Hijum (SZW) heeft in zijn brief van 9 juli 2025 aan de Tweede Kamer geschreven dat hij in gesprek gaat met pensioenuitvoerders over hoe zij inzichtelijk kunnen maken hoe groot de kans is dat de pensioenuitkering de inflatie bijhoudt. Daarbij zal hij uitvoerbaarheid, communicatie en governance-aspecten betrekken. Ook zal hij kijken naar de inzet van koopkrachtinstrumenten. De minister onderscheid de volgende varianten voor het volgen van de inflatie:
- Reëel beschermingsrendement
- Tijdsvariabele afslagen/opslagen op het projectierendement
- Inzet solidariteits- of risicodelingsreserve bij gerealiseerde inflatie
- Het spreidingsvermogen koppelen aan feitelijke inflatie
- Meer beleggingsrisico en meer risicodeling.
Hij wil de varianten verder kwantitatief laten onderzoeken.
De Nederlandsche Bank en transitie
DNB heeft enkele interessante publicaties online geplaatst:
Good practice over de modellering van premiebeleid
Q&A onderbouwing en afwijking van de default spreidingstermijn bij de standaardregel
Q&A over de onderbouwing van de hoogte van compensatie
Q&A’s: techniek transitie-effecten
Q&A over de onderbouwing van de hoogte van compensatie
Bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een compensatieregeling moet een pensioenfonds twee zaken nagaan:
- Hoe het nadeel van gemiste toekomstige opbouw wordt bepaald.
DNB geeft twee voorbeelden van de modelberekening hiervoor:
- een stochastische berekening van het netto profijt van de pensioenopbouw in oude en in de nieuwe pensioenovereenkomst
- een benadering van de netto contante waarde van de toekomstige premies en/of toekomstige pensioenopbouw met en zonder doorsneesystematiek via een deterministische berekening met de rentetermijnstructuur.
- In hoeverre verschillende groepen worden gecompenseerd voor de gemiste pensioenopbouw ten gevolge van afschaffing van de doorsneesystematiek. Een groep die een ander voordeel uit de overgang krijgt kan minder gecompenseerd worden.
Q&A’s: techniek transitie-effecten
Hieruit vermelden we de volgende vragen en antwoorden.
- Welke beleidsaannames hanteert een pensioenuitvoerder bij het berekenen van transitie-effecten?
Voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon kan een pensioenfonds afwijken van het beleid in de actuariële en bedrijfstechnische nota of de opdrachtbevestiging, als dit leidt tot een realistischere invulling op langere termijn. In plaats van incomplete beleidsonderdelen worden realistische aannames gehanteerd. - Mag er voor het inzicht in transitie-effecten gebruik worden gemaakt van maatmensen?
Dat mag volgens DNB, als die maatmensen qua kenmerken passen bij het werkelijke deelnemersbestand. - Wordt bij het doorrekenen van de transitie-effecten bij de bepaling van netto-profijt en pensioenverwachtingen de systematiek van mapping toegepast op basis van de beleggingsportefeuille van de pensioenuitvoerder?
Dat mag om aan te kunnen sluiten bij de beleggingscategorieën in de scenariosets die beschikbaar zijn voor de berekening van transitie-effecten. - Gaat een pensioenuitvoerder in de berekening van transitie-effecten uit van statuswijziging?
Voor een zo realistisch mogelijke projectieberekening gaat een pensioenfonds volgens DNB ook uit van een realistische demografische ontwikkeling op collectief niveau. - Houdt de pensioenuitvoerder bij de berekening van transitie-effecten rekening met een stijgende pensioen(richt)leeftijd?
Dat doet een pensioenfonds niet volgens DNB, tenzij een gewijzigde pensioenrichtleeftijd al een concreet onderdeel is van het beleid. - Worden de solidariteits- en risicodelingsreserve bij de bepaling van transitie-effecten gemodelleerd?
Ja. DNB antwoordt hierop dat de vul- en uitdeelregels van de solidariteits- en risicodelingsreserve gemodelleerd worden in de berekening van de transitie-effecten netto profijt en de pensioenverwachting in scenario’s.
- Gaat een pensioenuitvoerder bij de berekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die passend is voor de weergave van de effecten?
Ja. Een pensioenfonds gaat volgens DNB in de doorrekening van de transitie-effecten uit van een berekeningshorizon die zodanig is dat het volledige transitie-effect in de tijd wordt meegenomen.
Verjaring en transitie
Tweede Kamerleden Joseph en Omtzigt (NSC) hadden op 12 mei 2025 kamervragen ingediend, naar aanleiding van een vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:2163). Op 2 juni 2025 ontving de Tweede Kamer de antwoorden van Minister Van Hijum. Hieronder geven wij het vonnis weer en enkele vragen en antwoorden.
Vonnis
Het betrof een ambtenaar die van 1 december 1974 tot 1 april 1995 werkte bij een gemeente. Van 1 augustus 1985 tot 1 maart 1986 werkte hij in deeltijd. Door de eindloonsystematiek werkte dat door in de toekomstige verhoging van zijn salaris. Van het ABP had hij hierover bericht moeten hebben, waarbij de mogelijkheid van een knip in de opbouw had moeten zijn voorgelegd. Op 5 januari 2024 verzocht hij de gemeente om vergoeding van de schade. De gemeente wees dat verzoek af, ook na zijn bezwaar tegen de afwijzing, waarna de ex-ambtenaar tegen het besluit in beroep ging bij de Rechtbank.
De gemeente beriep zich op verjaring, waar de rechter in meeging. De Rechtbank volgde de ex-ambtenaar niet in zijn stelling dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Volgens de Rechtbank heeft ook de gemeente recht op rechtszekerheid. Doordat het zo lang geleden is kan de gemeente zich niet goed verweren tegen de aansprakelijkheid. Bovendien ging het om informatievoorziening door het ABP, wat buiten de gemeente om was gegaan.
Enkele vragen
- De Kamerleden vroegen of de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het niet problematisch vond dat deelnemers in veel gevallen pas over circa 25 jaar kunnen vaststellen wat hun feitelijk pensioenresultaat is, terwijl zij evenmin zelfstandig kunnen nagaan of hun transitieaanspraak correct is berekend en ook geen inzicht hebben in de verjaringsproblematiek.
- De minister ziet dat anders, omdat er zowel mitigerende mechanismen als structurele waarborgen zijn ingebouwd in het nieuwe stelsel en tijdens het invaren, om risico’s tijdig te ondervangen. Alle maatregelen zijn er eerst op gericht om fouten te voorkomen. Vervolgens op het herstellen van ontstane fouten. Hij noemt de verhoogde aandacht voor datakwaliteit en de verhoogde zorg- en informatieplicht van pensioenfondsen.
- De Kamerleden vroegen ook of de minister de zorg deelde dat dit des te problematischer is nu deelnemers geen bezwaarrecht hebben bij het invaren. Die zorg deelt de minister niet omdat ook in geval van individueel bezwaarrecht fouten gemaakt kunnen worden.
- De Kamerleden vroegen de minister of hij bereid was om wettelijk te regelen dat een verjaringstermijn van 30 jaar zou gaan gelden voor schade door een fout bij invaren. En dat die termijn ingaat als de deelnemer kennis heeft van de fout.
- De minister antwoordde daartoe niet bereid te zijn omdat ook na zo’n lange termijn de fout niet meer hersteld zou kunnen worden. Hij wees daarbij op het belang van rechtszekerheid en op het feit dat een pensioenfonds zich na zo’n lange tijd niet goed meer tegen aansprakelijkheid zou kunnen verweren.
Q&A onderbouwing en afwijking van de default spreidingstermijn bij de standaardregel
Een pensioenfonds mag afwijken van de standaard spreidingstermijn van 10 jaar. Daarvoor moet het een gedegen onderbouwing geven. Een langere termijn is toegestaan bij een vermogen van meer dan 100% van de technische voorziening. De onderbouwing bevat in ieder geval:
- de bestandssamenstelling; de mate van vergrijzing is dan van belang
- waarom de spreidingstermijn van 10 jaar tot een onevenwichtiger nadeel leidt. Aan de hand van de transitiemaatstaven voor beide termijnen, kan het pensioenfonds tonen of met de afwijkende spreidingstermijn:
- de doelstellingen wel worden behaald,
- een of meer doelstellingen sterker worden of worden behaald.
Het gaat dan om de gevolgen voor alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.