
Ontwikkelingen
Wet toekomst pensioenen
In deze vaste rubriek volgen wij de ontwikkelingen inzake de Wet toekomst pensioenen bij de transitie naar het vernieuwde pensioenstel. Wij kunnen de volgende ontwikkelingen melden.
Vijfde advies van de regeringscommissaris
Op 18 juni 2026 heeft regeringscommissaris transitie pensioenen Fieke van der Lecq haar vijfde reguliere advies uitgebracht. Aan de eerdere adviezen van de regeringscommissaris hebben wij in vorige edities van Pensioenitems aandacht besteed.
De regeringscommissaris concludeert in haar vijfde rapportage dat er op dit moment geen aanleiding is om de uiterste transitiedatum van 1 januari 2028 uit te stellen. Hoewel de sector zich in een cruciale fase bevindt, verloopt de transitie over het geheel genomen volgens planning.
Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen van de regeringscommissaris opgenomen:
Meer dan helft deelnemers al over naar het nieuwe stelsel
Een belangrijke mijlpaal is inmiddels bereikt: per 1 januari 2026 is meer dan 50% van alle deelnemers bij pensioenfondsen overgestapt naar het nieuwe pensioenstelsel. Volgens de huidige planning zal dit percentage medio 2027 oplopen naar circa 96% van alle deelnemers. Slechts ongeveer 4% van de deelnemers maakt de overstap daarna nog in de tweede helft van 2027 of op de uiterste transitiedatum van 1 januari 2028.Grote transitiegolf in eerste helft van 2027
Na de reeds uitgevoerde transities in 2025 en 2026 staat de grootste overgangsgolf gepland voor de eerste helft van 2027. In die periode willen 39 pensioenfondsen of APF-kringen de overstap maken. De rapportage laat tegelijkertijd zien dat verschillende pensioenfondsen hun transitiedatum hebben verschoven naar 2028. Het gaat daarbij vooral om kleinere fondsen. Het aantal fondsen dat per 1 januari 2028 verwacht over te gaan is gestegen van 25 naar 33 fondsen.Verzekerde regelingen lopen achter
De grootste zorg ligt nog steeds bij de verzekerde regelingen. Op 1 januari 2026 was slechts 26% van de contracten bij verzekeraars en 45% van de contracten bij premiepensioeninstellingen (ppi's) aangepast aan de Wtp. Kijkt men naar het aantal deelnemers, dan is respectievelijk slechts 19% en 25% van de deelnemers overgezet naar een Wtp-regeling. Volgens de regeringscommissaris moeten werkgevers uiterlijk 1 oktober 2027 de door hen ondertekende offerte bij de verzekeraar of ppi hebben ingediend. Werkgevers die nog niet zijn begonnen met de omzetting van hun regeling hebben daardoor weinig tijd meer. Met name werkgevers met contracten voor onbepaalde tijd of contracten die pas na 2028 aflopen blijken lastig in beweging te krijgen.Grote risico's bij niet tijdig aanpassen
De rapportage wijst nadrukkelijk op de gevolgen van het niet tijdig aanpassen van pensioenregelingen. Wanneer een werkgever de regeling niet vóór het einde van de transitieperiode heeft aangepast, kan de pensioenregeling fiscaal onzuiver worden. Daarnaast kunnen verzekeraars uitvoeringsovereenkomsten beëindigen, waardoor de pensioenopbouw stopt en dekking voor nabestaandenpensioen vervalt. Dit kan leiden tot forse belastingheffing bij werknemers en mogelijke aansprakelijkstelling van werkgevers.2026 piekjaar voor pensioenuitvoerders
Voor pensioenuitvoeringsorganisaties (puo's) geldt 2026 als een cruciaal uitvoeringsjaar. Veel uitvoerders hebben inmiddels één of meerdere transities afgerond, waardoor waardevolle ervaring is opgedaan. Tegelijkertijd blijft het risico bestaan dat omvangrijk nawerk, IT-aanpassingen of capaciteitsproblemen vertraging veroorzaken bij volgende transities. De verwachting is dat het leereffect en verdere ontwikkeling van Wtp-systemen deze risico's geleidelijk zullen verminderen.Toezicht verloopt beheersbaar
Vrijwel alle pensioenfondsen die op 1 januari 2027 willen invaren hebben inmiddels hun implementatieplan bij DNB ingediend. Daarnaast hebben 58 pensioenfondsen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om één of meer partiële beoordelingen aan te vragen. DNB geeft aan voldoende capaciteit te hebben om de beoordelingen tijdig uit te voeren. Ook de AFM meldt dat ongeveer tweederde van alle communicatieplannen inmiddels is beoordeeld. De kwaliteit van de plannen wordt over het algemeen als voldoende beoordeeld, hoewel verbetering van communicatieplannen en transitieoverzichten mogelijk blijft.Wetgeving biedt rust
Positief voor de uitvoerbaarheid is dat de invoering van het keuzerecht ‘Bedrag ineens’ is uitgesteld tot na de transitieperiode. Ook is een wetsvoorstel ingediend met diverse technische aanpassingen aan de Wtp die een soepele overgang moeten ondersteunen. De regeringscommissaris benadrukt dat rust en stabiliteit in wet- en regelgeving essentieel blijven voor het slagen van de transitie.
Vijfde voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen
Minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft op 2 juli 2026 de vijfde voortgangsrapportage gepubliceerd voor de monitoring van de Wet toekomst pensioenen. Aan de eerste vier voortgangsrapportages hebben wij in eerdere edities van Pensioenitems aandacht besteed.
In de voortgangsrapportage van 2 juli 2026 trekt de minister de volgende beleidsconclusies:
De minister sluit zich aan bij de bevindingen en conclusies van de regeringscommissaris
De transitie van de pensioenfondsen verloopt voorspoedig en er is op dit moment geen aanleiding de uiterste transitiedatum van 1 januari 2028 uit te stellen. Tegelijkertijd meldt de minister dat het komende anderhalf jaar bepalend blijft voor een succesvolle afronding van de transitie. Het grootste aandachtspunt betreft de verzekerde regelingen. Vooral kleinere werkgevers lopen achter. De overheid, werkgeversorganisaties, adviseurs en pensioenuitvoerders zetten daarom extra in op communicatie, ondersteuning en activering van werkgevers.Bekendheid met de nieuwe pensioenregels groeit verder
De communicatie over de pensioentransitie lijkt effect te hebben. Volgens de deelnemersmonitor heeft inmiddels 92% van de Nederlanders gehoord van de nieuwe pensioenregels. Daarnaast geeft ruim een derde van de deelnemers aan goed te begrijpen wat de wijzigingen inhouden, terwijl slechts een zeer kleine groep is helemaal onbekend met de nieuwe regels.Positieve waardering voor pensioenuitvoerders
Deelnemers zijn overwegend tevreden over de communicatie van hun pensioenuitvoerder. Uit de onderzoeken van Ipsos I&O en Netspar blijkt dat pensioenuitvoerders worden beoordeeld met rapportcijfers tussen 7,4 en 7,9. Vooral gepensioneerden voelen zich goed geïnformeerd. De mate waarin deelnemers tijdig en duidelijk worden geïnformeerd blijkt een belangrijke factor voor het vertrouwen in de pensioenuitvoerder.Het nieuwe stelsel wordt als transparanter en persoonlijker ervaren
Deelnemers van fondsen die al zijn ingevaren ervaren de pensioeninformatie vaker als persoonlijk en transparant. Ook neemt het vertrouwen toe dat de pensioenuitvoerder de overgang naar het nieuwe stelsel zorgvuldig uitvoert. Steeds meer deelnemers verwachten bovendien dat hun pensioenpositie door de overgang verbetert.Beperkte toename van klachten en geschillen
Ondanks de omvang van de stelselwijziging blijft het aantal formele klachten relatief beperkt. Het aantal zaken bij de Geschilleninstantie Pensioenfondsen, Kifid en de civiele rechter is stabiel. Wel stijgt het aantal vragen van deelnemers, onder meer over compensatie en de gevolgen van de overstap.Pensioenverhogingen bij ingevaren fondsen
De eerste resultaten van het nieuwe stelsel zijn zichtbaar. Bij de pensioenfondsen die per 1 januari 2026 zijn ingevaren, zijn de pensioenen van ruim 1 miljoen gepensioneerden gemiddeld met 13,5% verhoogd. Ook de pensioenvermogens van actieve en gewezen deelnemers zijn in vergelijkbare mate gestegen. Deze verhogingen komen voort uit de verdeling van eerder opgebouwde buffers bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.
AFM en keuzebegeleiding bij vrijwillige voortzetting
Volgens de AFM in Transitiebulletin 39, juni 2026, kan vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling voorkomen dat ex-werknemers de compensatie missen bij de overgang op de nieuwe pensioenregeling. De AFM is van mening dat de deelnemers enerzijds erop gewezen moeten worden dat het verkrijgen van die compensatie als voordeel wordt genoemd bij vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling. En dat deelnemers anderzijds erop gewezen moeten worden dat het missen van die compensatie een nadeel is als zij ervoor kiezen om de pensioenregeling te beëindigen. De AFM ziet het expliciet aangeven van de voor- en nadelen van het al dan niet vrijwillig voortzetten van de pensioenregeling immers als onderdeel van de plicht om passende keuzes mogelijk te maken. Pensioenfondsen dienen de gewezen deelnemers daarop te wijzen, bijvoorbeeld in de stopbrief of in een aparte brief bij de stopbrief.
Opmerkingen
Wij merken op dat een toezegging van compensatie volgens Artikel 150f Pensioenwet geldt voor werknemers en ex-werknemers met premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid. Daarnaast merken wij op dat de gewezen deelnemer er ook op moet worden gewezen dat hij de pensioenregeling slechts volledig kan voortzetten, als er geen sprake is van deelname aan een nieuwe pensioenregeling. Is daarvan wél sprake, dan is de voortzetting fiscaal niet toegestaan, omdat er anders sprake zou zijn van dubbele pensioenopbouw.
Oproep De Nederlandsche Bank bij transitie
In het Transitiebulletin van 20 juli 2026 meldt De Nederlandsche Bank (DNB) dat 38 pensioenfondsen en vier kringen van algemene pensioenfondsen zijn ingevaren. DNB roept andere pensioenfondsen op om hun invaarmelding uiterlijk twaalf maanden voor de beoogde invaardatum in te dienen.
Fiscale (on)mogelijkheden ongehuwd ouderdomspensioen bij invaren
Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst behandelt in V&A 26-006 hoe moet worden omgegaan met een in het verleden opgebouwd ongehuwd ouderdomspensioen (OOP) bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel . Een OOP is een ouderdomspensioen dat vóór 1 januari 1999 kon worden opgebouwd en alleen tot uitkering komt wanneer een gepensioneerde geen partner heeft.
Het recht op een ongehuwd ouderdomspensioen dient volgens de Belastingdienst te worden vastgesteld op de pensioeningangsdatum. Op de pensioeningangsdatum dient namelijk te worden beoordeeld of sprake is van een partner. Alleen indien de deelnemer op dat moment geen partner heeft, kan het OOP levenslang worden uitgekeerd naast het reguliere ouderdomspensioen. Verliest de deelnemer later alsnog zijn of haar partner, dan ontstaat er geen nieuw recht op het OOP. Voorwaarde is dat het OOP na ingang levenslang doorloopt en niet stopt wanneer later een relatie met een partner ontstaat.
Een regeling waarbij na de pensioeningangsdatum opnieuw wordt getoetst of de gepensioneerde een partner heeft en waarbij het OOP alsnog ingaat als de partner later wegvalt, is fiscaal gezien dan ook niet toegestaan. Volgens de Belastingdienst leidt een dergelijke constructie namelijk tot fiscale onzuiverheid van de gehele pensioenaanspraak. De reden hiervoor is dat dan sprake zou zijn van een vorm van variabilisering waarvan op de ingangsdatum van het pensioen niet vaststaat wanneer de hogere uitkering zal ingaan. Dat is in strijd met de fiscale regels voor pensioenuitkeringen.
Wordt er niet ingevaren, dan geldt bovenstaande niet.