Pensioenitem in beeld:

Vragen bij zeggenschap van de deelnemer

De inrichting van de governance van pensioenfondsen is in de loop der tijd aangepast. Wordt een motie van de Tweede Kamer aanleiding voor een volgende aanpassing?

Roep vanuit de Tweede Kamer

De Tweede Kamer heeft de motie van Kamerlid Vermeer (BBB) inzake de governance van pensioenfondsen met een meerderheid aanvaard. Hierin roept de Tweede Kamer op tot aanpassing van de governance van pensioenfondsen en herijking van de rol van sociale partners. Bij de inhoud van de motie zijn vragen te stellen.


Motie van het lid Vermeer


Voorgesteld 31 maart 2026


De Kamer,


gehoord de beraadslaging,


constaterende dat met de Wet toekomst pensioenen de financiële risico’s nadrukkelijk bij deelnemers zijn komen te liggen, terwijl de governance van pensioenfondsen hierop niet fundamenteel is aangepast;


overwegende dat deelnemers verplicht zijn aangesloten, maar nauwelijks doorslaggevende zeggenschap hebben over besluiten die direct hun pensioen raken;


verzoekt de regering om met voorstellen te komen voor de inrichting van de governance van pensioenfondsen onder de Wtp, waaronder meer directe en structurele zeggenschap van deelnemers en een herijking van de rol van de sociale partners,


en gaat over tot de orde van de dag.


Vermeer


Financiële risico’s

De motie begint met de constatering dat de Wet toekomst pensioenen meebrengt dat financiële risico’s nadrukkelijker bij deelnemers zijn komen te liggen. Of deelnemers door de Wtp fundamenteel meer of grotere risico’s zijn gaan lopen blijkt er niet uit. Het is de vraag of de Wtp daartoe heeft geleid en of deelnemers niet altijd min of meer dezelfde financiële risico’s lopen. Hoe pensioenfondsen daarmee om dienen te gaan is geregeld in het Financieel Toetsingskader en de voorlopers.


Governance en financiële risico’s

De wetgeving van de governance voor pensioenfondsen is in de loop der tijd aangepast. Omdat het ondemocratisch was dat een bestuur over de pensioenen van gepensioneerden besluiten nam zonder dat zij daarin vertegenwoordigd waren, had Kamerlid Nypels in 1985 een initiatief wetsvoorstel ingediend om gepensioneerden rechtstreeks te laten vertegenwoordigen in pensioenfondsbesturen. Omdat dat politiek een brug te ver was, werd in 1990 de mogelijkheid en, onder voorwaarden de plicht tot, instelling van een deelnemersraad ingevoerd. Die kon bestaan uit vertegenwoordigers van deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en had slechts adviserende bevoegdheid.


Na het ‘Convenant over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen’ werd in 2000 instelling van een deelnemersraad verplicht.
Met de Wet versterking bestuur en toezicht uit 2013 werden de huidige governance mogelijkheden ingevoerd. Dat is mede gebeurd op grond van de verschuiving van het risicodragerschap richting deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden. Die verschuiving was duidelijk geworden na de financiële crisis van 2008. Deelnemers worden sindsdien vertegenwoordigd in verantwoordings- of belanghebbendenorganen, naast vertegenwoordiging in besturen.


Zeggenschap over besluiten

Waar zeggenschap over besluiten uit zou moeten bestaan is op voorhand niet duidelijk. Punt van aandacht hierbij is dat de besluitvorming in besturen geschiedt door personen die voldoen aan de wettelijk gestelde voorwaarden van geschiktheid en betrouwbaarheid. Voor geschiktheid is kennis en kunde op diverse gebieden een voorwaarde. Besturen laten zich bij de besluitvorming bijstaan door experts. Vraag is of het explicieter lopen van risico’s zodanig zwaar weegt dat een deelnemer, daargelaten of die aan dezelfde criteria voor een beleidsbepaler van een pensioenfonds voldoet, structureel bij de besluitvorming van de eigen vertegenwoordigers betrokken moet en kan worden en die besluitvorming zelfs zou moeten kunnen doorbreken.


Bestuurders dienen zich bij hun besluitvorming te richten naar de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden, werkgevers en andere betrokkenen en er voor te zorgen dat zij zich vertegenwoordigd voelen. Vraag is of dat ook van deelnemers wordt verlangd bij de uitoefening van hun directe zeggenschap.


Rol van sociale partners

Sociale partners bepalen in bedrijfstakken de inhoud van pensioenregelingen en, indien voldaan wordt aan het vereiste van representativiteit, of deelname in een bedrijfstakpensioenfonds verplicht is voor bedrijfsgenoten. Daarbuiten bepalen werkgevers, al dan niet met hun ondernemingsraad, de inhoud van de pensioenregeling en waar die wordt uitgevoerd. Omdat aanvullende pensioenregelingen een arbeidsvoorwaarde vormen, is de vraag waar een herijking van die rol toe moet leiden.


Bij afschaffing van deze rol van sociale partners doet de vraag zich voor wie die rol dan zou kunnen en moeten vervullen. De individuele werknemer? De Pensioenwet heeft de mogelijkheid van de keuze voor een verzekeraar door de werknemer afgeschaft. Als de wetgever die rol overneemt doet zich de vraag voor of aanvullende pensioenen dan buiten de arbeidsvoorwaarden geplaatst worden.


Financiële instellingen en pensioenproducten

Verzekeraars en premiepensioeninstellingen zijn financiële instellingen met de naamloze vennootschap als rechtsvorm. Werkgevers kiezen, met goedkeuring van hun ondernemingsraad als die er is, het product en de instelling voor onderbrenging van hun pensioenregeling. Werknemers kunnen daar niet zelfstandig voor kiezen.


Deelnemers aan pensioenregelingen hebben geen enkele rol in de governance van deze instellingen. Ook bij de inrichting van de producten van de instelling hebben deelnemers geen zeggenschap. Wel moeten financiële instellingen kunnen aantonen dat zij bij de ontwikkeling van hun producten op evenwichtige wijze rekening hebben gehouden met de belangen van consument, cliënt en de begunstigde als die er kan zijn. Met deze wetenschap is het de vraag of het niet opvallend is dat de Tweede Kamer naar meer directe en structurele zeggenschap vraagt van deelnemers bij instellingen waarin ze wel vertegenwoordigd worden.


Voorstellen

De minister van SZW heeft de motie ‘oordeel kamer’ gegeven, wat betekent dat de regering een neutrale positie inneemt. Wij zijn daarom heel benieuwd naar de voorstellen waar de regering mee gaat komen.