Rechtspraak & toezicht

Kort nieuws

Compartimentering in verband met wetswijzigingen

Een deelnemer bouwde van 15 augustus 1979 tot 1 juli 2006 pensioen op bij een internationale organisatie. De regeling was in die periode onzuiver naar de maatstaven van de Wet op de loonbelasting 1964. De fiscale behandeling wijzigde vervolgens meermalen: vóór 1995 waren uitkeringen uit onzuivere regelingen onbelast, vanaf 1995 gold de saldomethode en vanaf 2001 werden pensioenuitkeringen van internationale organisaties als zuivere pensioenen belast.
Over de belasting van de uitkering verschilde de deelnemer op punten van mening met de belastinginspecteur. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank wendde de deelnemer zich tot het Gerechtshof Den Bosch.


Gerechtshof

  • De inspecteur wilde ook het pensioen over de jaren vóór 1995 volledig belasten op basis van de wetgeving vanaf 2001. Het Gerechtshof oordeelde in het arrest van 25 september 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:2511 echter dat voor die periode moest worden getoetst aan de toenmalige maatstaven van de Wet op de loonbelasting 1964; het pensioen was toen onzuiver.
  • De inspecteur was van mening dat over de periode 1995-2001 geen premies waren afgedragen, zodat de uitkeringen volledig in Box 3 belast zouden worden. Maar de deelnemer toonde aan eigen bijdragen te hebben afgedragen, zodat die in aanmerking moesten worden genomen bij de belastingheffing.
  • De deelnemer was van mening dat het pensioen over de periode van 2001 tot 2006 geacht moest worden belast te zijn geweest in de opbouwfase, zoals gold voor een andere internationale instelling.
    Het Gerechtshof oordeelde echter dat beide internationale organisaties op dit punt niet te vergelijken waren en oordeelde dat de uitkeringen integraal belast moesten worden.

Opmerking
Het betrof een pensioenregeling waarvan de heffingsvoorschriften in de loop der jaren zijn gewijzigd. Het was niet een pensioenregeling die voldeed aan de criteria van de omkeerregel in de Wet op de loonbelasting 1964 en de pensioenregeling was niet tijdig aangepast aan de gewijzigde criteria van die omkeerregel. In dat geval is de totale aanspraak belast, aldus het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst in het Memo fiscale gevolgen niet tijdig aanpassen pensioenregeling aan gewijzigde fiscale kaders en hoe fiscale onzuiverheid te voorkomen van 23 oktober 2025.


GIP en beroep op opgewekt vertrouwen

Een deelnemer baseerde zijn vervroegde pensionering vanaf 1 juni 2023 op bedragen uit januari 2023. In februari 2025 meldde het pensioenfonds dat de uitkering door een fout te hoog was vastgesteld: de toeslag van 7,7% was dubbel verwerkt. De uitkering zou vanaf 1 september 2025 worden verlaagd; het teveel betaalde hoefde niet te worden terugbetaald. De deelnemer diende een klacht in en vorderde bij de Geschillencommissie GIP dat de verlaging ongedaan werd gemaakt.


Geschillencommissie GIP
In de uitspraak in geschil 2025-0917 van 10 juli 2026 wijst de geschillencommissie de vordering af. De deelnemer beriep zich op gerechtvaardigd vertrouwen ex artikel 3:35 Burgerlijk Wetboek. Het pensioenfonds stelde dat daarop geen beroep kan worden gedaan als communicatie niet geschiedde in het kader van een overeenkomst, ofwel als dit tot afwijking van het pensioenreglement leidt.

Artikel 3:35 BW
Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.


Oordeel
De geschillencommissie volgt het pensioenfonds hierin niet volledig: communicatie van een pensioenfonds kan onder omstandigheden als verklaring worden opgevat, waarop een deelnemer mag vertrouwen.


In dit geval mocht deze deelnemer volgens de geschillencommissie niet redelijkerwijs op het foutieve bedrag vertrouwen. Hij had kunnen zien dat de verhoging veel hoger was dan aangekondigd, had navraag moeten doen en had geen financiële keuzes gemaakt die hij met het lagere bedrag niet kon nakomen. Verder woog mee dat het pensioenfonds fouten mag corrigeren, het teveel betaalde niet terugvorderde en de verlaging pas zes maanden na aankondiging doorvoerde. De vordering werd daarom afgewezen.


GIP en schadevergoeding wegens fout bedrag

Een gescheiden deelnemer diende het vereveningsformulier in bij zijn pensioenuitvoerder. Die gaf aan wat het bedrag was van het te verevenen ouderdomspensioen voor de ex-echtgenote en wat het bedrag was van het ouderdomspensioen dat resteerde. Bij de waardeoverdracht daarna gaf de overdragende pensioenuitvoerder dit niet door aan de overnemende pensioenuitvoerder. Na tien jaar wordt het pensioen met een collectieve waardeoverdracht overgedragen naar een volgende pensioenuitvoerder. Tien jaar later gaat het ouderdomspensioen in. In die twintig jaar wordt het niet verlaagde ouderdomspensioen gecommuniceerd op de UPO’s (Uniforme Pensioenoverzichten). De ex-echtgenote verzoekt om uitbetaling van het te verevenen ouderdomspensioen. De gepensioneerde vordert betaling van het volledige ouderdomspensioen dat hem gecommuniceerd is, zonder de vermindering met het te verevenen deel. Na het doorlopen van de klachtenprocedure, waarbij de vordering wordt afgewezen, wendt de gepensioneerde zich tot de GIP.


Geschillencommissie GIP
De deelnemer beroept zich op opgewekt vertrouwen voor zijn primaire vordering van het bedrag dat op de UPO’s is vermeld. Subsidiair verzoekt de deelnemer om een ruime gewenningstermijn voor de overgang op de lagere uitkering.


In de uitspraak in geschil 2025-1001 van 27 juli 2026 oordeelde de geschillencommissie dat de gepensioneerde niet mocht vertrouwen op de juistheid van de bedragen. Daarvoor was van belang dat de gepensioneerde voor de eerste waardeoverdracht een bevestiging van de verevening was gestuurd. De nieuwe pensioenuitvoerder vermeldde bij het UPO dat met echtscheidingen geen rekening was gehouden, tenzij de deelnemer daarover was geïnformeerd. Op grond hiervan had de gepensioneerde navraag moeten doen. Ook de laatste pensioenuitvoerder had voorbehouden gemaakt bij de bedragen op het UPO. De geschillencommissie wees op grond hiervan de vordering van het gecommuniceerde bedrag af.


Het subsidiaire verzoek om een ruime gewenningstermijn vatte de geschillencommissie op als een verzoek om een gedeeltelijke, aflopende schadevergoeding. Dat verzoek wijst de geschillencommissie gedeeltelijk toe. Het bedrag dat verkregen is uit de eerste waardeoverdracht wordt in 6 jaar afgebouwd tot het correcte bedrag na verevening. Reden hiervoor was dat de laatste pensioenuitvoerder vanaf 2018 op de UPO’s en in de pensioentoekenningsbrief foutieve bedragen heeft opgegeven. De opgegeven bedragen waren onjuist omdat erbij was medegedeeld dat rekening was gehouden met de scheiding en het bedrag dat aan de ex-echtgenote zou worden uitbetaald. Daarmee had deze uitvoerder gehandeld in strijd met artikel 48 Pensioenwet dat correcte informatieverschaffing voorschrijft, wat neerkomt op een onrechtmatige daad volgens artikel 6:162 Burgerlijk wetboek. De gepensioneerde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij financiële keuzes mede heeft gemaakt op basis van de informatie van de laatste pensioenuitvoerder. De onmogelijkheid om die keuzes terug te draaien is de schade die de gepensioneerde lijdt volgens de geschillencommissie en niet de verlaging van het pensioenbedrag. Omdat die schade moeilijk te bepalen is, maakt de geschillencommissie hiervan een schatting.


Spreidingstermijn en gelijke behandeling

Een pensioenfonds hanteert bij invaren een spreidingsperiode van tien jaar voor de verdeling van het vermogensoverschot. Die termijn volgt uit artikel 2, lid 1 van Bijlage 2a bij de regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (‘de Regeling’). Pensioenfondsen mogen een langere of kortere periode gebruiken. Het transitieplan bevatte die termijn met een tabel met verschillende percentages per leeftijdsgroep voor de verdeling van het vermogensoverschot.


Gepensioneerden van het pensioenfonds verzetten zich tegen de hantering van de termijn van tien jaar en wendden zich tot het CRM (College voor de Rechten van de Mens). Zij vinden dat de werkgever en het pensioenfonds verboden onderscheid maken op grond van leeftijd. Jongere deelnemer profiteren namelijk meer van een langere spreidingstermijn. Verder hebben ouderen meer bijgedragen aan het overschot en houdt het pensioenfonds geen rekening met de werkelijke levensduur. Evenmin heeft het pensioenfonds volgens de gepensioneerden oog voor de mogelijkheid dat jongere deelnemers hun deelname binnen tien jaar kunnen beëindigen. Tenslotte zijn gepensioneerden niet betrokken geweest bij de onderhandelingen van sociale partners.


Oordeel CRM
In het oordeel 2026-34 van 4 maart 2026 oordeelt het CRM op de eerste plaats dat er geen sprake is van direct verboden onderscheid naar leeftijd. De verschillende percentages per leeftijdsgroep vinden immers hun basis in uitkeringskasstromen. Van indirect onderscheid is wel sprake, omdat ouderen door de spreidingstermijn minder delen in het vermogensoverschot. Dat is echter niet verboden als er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond.


Het CRM toetst ten tweede of er sprake is van verboden indirect onderscheid naar leeftijd, maar toetst daarop terughoudend omdat het gaat om een afspraak tussen sociale partners. Die hebben namelijk een ruime marge bij de beoordeling van de doelen die zij nastreven en de maatregelen om die te bereiken. Die terughoudendheid is bovendien groter bij de discriminatiegrond ras of geslacht dan leeftijd.


Het CRM vindt dat er sprake is van een legitiem doel, omdat het pensioenfonds en de werkgever een evenwichtige verdeling van het pensioenvermogen beogen in het kader van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Het middel is passend omdat het als uitgangspunt in de Regeling staat en het pensioenfonds en de werkgever kijken naar alle maatregelen in het kader van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Omdat niet excessief afbreuk wordt gedaan aan de rechten van ouderen of gepensioneerden door de geringere verhoging van het vermogen dan bij jongere deelnemers, vindt het CRM dat de spreidingstermijn een noodzakelijk doel is voor de meest evenwichtige verdeling van het vermogensoverschot. Het CRM oordeel op grond hiervan dat er een objectieve rechtvaardigingsgrond is voor de hantering van de spreidingstermijn van tien jaar.


Er is daarom volgens het CRM geen sprake van verboden onderscheid op grond van leeftijd door de werkgever en het pensioenfonds.