Wet- en regelgeving

Kort nieuws

Wet Vbar wordt Wet Rvaobvu

Op 29 juli 2026 is de Wet Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief gepubliceerd. Deze naam kreeg de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden na ingrijpende aanpassingen, waarbij slechts het rechtsvermoeden in stand bleef.

In lid 1 van artikel 610aa van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld dat bij een beloning van maximaal €36,- per uur vermoed wordt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Deze wetswijziging treedt op 31 december 2026 in werking.


Voorstel Wet platformwerk

Van 29 juni tot 28 augustus 2026 ligt het voorstel voor de Wet platformwerk ter consultatie. Met deze wet gaat Nederland de Richtlijn (EU) 2024/2831 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 implementeren betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Dat moet op 2 december van dit jaar zijn afgerond.

De wet gaat gelden voor digitale arbeidsplatforms. Niet voor platforms die als prikbord fungeren.
Ook deze wet kent een vermoeden van een arbeidsovereenkomst; daarvan is sprake indien er feitelijke aanwijzingen zijn voor leiding en toezicht door het digitaal arbeidsplatform. Verder bevat de wet onder andere:

  • beperkingen op het gebied van geautomatiseerde monitoringssystemen en geautomatiseerde besluitvorming,
  • informatievoorschriften over het gebruik van geautomatiseerde monitoringssystemen en geautomatiseerde besluitvormingssystemen,
  • het recht op menselijke toetsing van geautomatiseerde besluiten en
  • de plicht van het arbeidsplatform zich te melden bij een nog aan te wijzen bestuursorgaan.


Wet meer zekerheid flexwerkers

De Wet meer zekerheid flexwerkers is op 15 juli 2026 gepubliceerd in het Staatsblad. Deze wet beoogt werknemers met een tijdelijk contract, oproepcontract of uitzendovereenkomst meer zekerheid te geven over werk, inkomen en arbeidsvoorwaarden.


De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. In arbeidsovereenkomsten wordt een aantal arbeidsuren over ten hoogste een jaar opgenomen. Ingeval van een aantal arbeidsuren per maand gelden regels voor spreiding en uiterste betaling van het loon en moet de werkgever een bepaalde mate van zekerheid geven over wanneer de werknemer zich beschikbaar moet stellen. Bij minder dan 15 overeengekomen arbeidsuren per week, zonder vastlegging van de werktijden, heeft de werknemer recht op een loon voor ten minste drie uur. Voor nulurencontracten geldt het gemiddeld aantal uren per week van de voorgaande drie maanden met een minimum van drie uren per week.

  2. Oproepcontracten verdwijnen grotendeels en worden vervangen door contracten met een minimaal én een maximaal aantal uren (bandbreedtecontracten), waarbij het maximum niet hoger mag zijn dan 130% van het minimum.

  3. Werknemers krijgen meer voorspelbaarheid doordat werkgevers ten minste vier dagen van tevoren moeten oproepen en loon verschuldigd blijven bij intrekking of wijziging van diensten binnen vier dagen van tevoren. Via de CAO kan een kortere termijn overeengekomen worden, met een minimum van 24 uur.

  4. Na twaalf maanden moet een werkgever een aanbod doen voor een vaste arbeidsomvang, gebaseerd op het werkelijk gewerkte aantal uren. Dat geldt zowel als er sprake is van één werkgever, als bij opvolging van werkgevers.

  5. Voor scholieren, studenten, minderjarigen en AOW-gerechtigden geldt een uitzonderingsregeling.

  6. De onderbrekingstermijn in de ketenregeling, de termijn tussen opeenvolging van arbeidsovereenkomsten die als één arbeidsovereenkomst wordt gezien, wordt verlengd van 6 naar 36 maanden, waardoor eerdere tijdelijke contracten langer meetellen.

  7. Voor uitzendkrachten wordt de rechtspositie versterkt: de uitzendfase wordt ingekort en de ketenregeling gaat sneller leiden tot een contract voor onbepaalde tijd.

  8. Het uitzendbeding mag minder lang worden toegepast (52 weken in plaats van 78 weken/26 weken in oude systematiek).

  9. Uitzendkrachten krijgen recht op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers in gelijke functies bij de inlener.

  10. Inleners krijgen extra informatie- en zorgverplichtingen richting uitzendbureaus.

  11. In de WW-premiedifferentiatie wordt verduidelijkt dat voor tijdelijke contracten en oproepovereenkomsten de hoge premie geldt.

De Wet meer zekerheid flexwerkers treedt in werking op 1 januari 2028.


Fiscale verzamelwet 2028

Op 6 juli 2026 is de internetconsultatie gestart voor de Fiscale verzamelwet 2028. De internetconsultatie staat open tot 10 september 2026. In het Fiscale verzamelwet 2028 worden de onderstaande drie pensioen- en lijfrentemaatregelen voorgesteld:


  1. Invoeren inhoudingsplicht bij te late ingang van een lijfrente
    Als een lijfrente niet uiterlijk op de wettelijke ingangsdatum ingaat, wordt voorgesteld dat de uitvoerder direct loonbelasting inhoudt en afdraagt. Hierdoor hoeft de uitvoerder niet langer te onderzoeken of negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. Ook vervalt de renseigneringsplicht en de mogelijkheid om bij de inspecteur verlenging van de uiterste ingangsdatum aan te vragen.

  2. Codificatie goedkeuring toedeling lijfrente aan langstlevende partner
    Een bestaande goedkeuring uit het Verzamelbesluit lijfrenten wordt in de wet opgenomen. Hierdoor kan een lijfrenterekening bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap na overlijden aan de langstlevende partner worden toebedeeld zonder directe fiscale afrekening. Zonder deze regeling zou sprake kunnen zijn van een belastbare vervreemding van de lijfrente.

  3. Codificatie goedkeuring pensioenverrekening tussen ex-samenwoners
    De wet gaat regelen dat betalingen die ex-samenwoners doen, op grond van een notarieel samenlevingscontract ter verrekening van pensioenrechten, aftrekbaar zijn als onderhoudsverplichting. Dit betreft bijvoorbeeld doorbetaling van een deel van een pensioenuitkering of afkoop van de verrekeningsverplichting. Hiermee wordt wettelijk vastgelegd dat de betaler aftrek krijgt, terwijl de ontvanger belasting verschuldigd blijft over de ontvangen uitkering.

De fiscale verzamelwet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2028.


Europese belastingomnibus

De Europese Commissie heeft op 24 juli 2026 een voorstel gepubliceerd over de Europese belastingomnibus. Doelstelling van de Europese belastingomnibus is om grensoverschrijdend beleggen binnen de Europese Unie te stimuleren. Daartoe wordt voorgesteld de Europese regels op het gebied van directe belastingen te vereenvoudigen en te stroomlijnen.


Met de Europese belastingomnibus wordt onder meer de Moeder-dochterrichtlijn (MDR) gewijzigd. Deze wijzigingen hebben ook gevolgen voor pensioenfondsen. Na invoering van deze wijzigingen zijn pensioenfondsen geen bronbelasting meer verschuldigd op dividenden binnen de Europese Unie. Momenteel zijn pensioenfondsen hier namelijk wel bronbelasting over verschuldigd.


Pensioenfondsen dienen echter nog enige tijd geduld te hebben. Het voorstel van de Europese Commissie wordt namelijk eerst ter raadpleging voorgelegd aan het Europees Parlement en ter goedkeuring aan de Raad. Naar verwachting zal de Europese belastingomnibus pas in 2037 in werking treden.


Tot die tijd kunnen pensioenfondsen de bronbelasting op grond van Europese regels terugvorderen. Het terugvorderen van bronbelasting duurt echter lang; gemiddeld genomen ruim anderhalf jaar. Met de in Pensioenitems 2023, nummer 5 besproken Richtlijn (EU) 2025/50 betreffende een snellere en veiligere vermindering van te veel ingehouden bronbelasting (FASTER-richtlijn) wordt de termijn voor terugbetaling verkort naar 60 kalenderdagen. De FASTER-richtlijn trad op 30 januari 2025 in werking. Uiterlijk op 31 december 2028 dienen de lidstaten de regels uit deze richtlijn te implementeren in de nationale wetgeving. De toepassing en handhaving gaat in op 1 januari 2030.